Hoge Raad: fiscale wettelijke maatregel geeft uitputtende regeling van gevallen van ‘dividendstripping’

19 januari 2024

Wie is de rechtstreeks gerechtigde (ook wel: opbrengstgerechtigde) en tevens de uiteindelijk gerechtigde tot dividend en kan dus de dividendbelasting verrekenen? Die vraag deed zich voor in een zaak over de fiscale maatregel tegen ‘dividendstripping’ waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak heeft gedaan. De Hoge Raad is van oordeel dat deze wettelijke maatregel een uitputtende regeling bevat van de gevallen waarin de rechtstreeks gerechtigde tot het dividend niet wordt beschouwd als de uiteindelijk gerechtigde tot dat dividend. Alleen wanneer de belastingplichtige beide hoedanigheden heeft, kan hij aanspraak maken op verrekening of teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting, aldus de Hoge Raad.

Wettelijk kader

Op dividenden die worden uitgekeerd door in Nederland gevestigde vennootschappen moet dividendbelasting worden ingehouden. Die ingehouden dividendbelasting kan door de vennootschap/ontvanger van het dividend onder bepaalde voorwaarden worden verrekend met de verschuldigde Nederlandse vennootschapsbelasting. Voor die verrekening schrijft de wet voor dat de belastingplichtige die het dividend ontvangt, zowel de rechtstreeks gerechtigde als de uiteindelijk gerechtigde moet zijn tot het dividend waarop de dividendbelasting is ingehouden.

Het vereiste van uiteindelijke gerechtigdheid is in de wet opgenomen als maatregel tegen het zogenoemde dividendstrippen. Dividendstripping houdt in dat een aandeelhouder het recht op dividend overdraagt aan een andere persoon die een gunstiger recht heeft op teruggaaf, vermindering of verrekening van de op het dividend ingehouden dividendbelasting dan de oorspronkelijke aandeelhouder. In de praktijk vindt zo’n overdracht van het recht op dividend ook plaats door verkoop van het aandeel kort voordat daarop dividend wordt uitgekeerd, en wordt na die dividenduitkering het aandeel weer teruggekocht.

De wettelijke maatregel tegen dividendstripping bepaalt dat de op het dividend ingehouden dividendbelasting alleen kan worden teruggegeven, verminderd of verrekend indien de belastingplichtige die het dividend ontvangt (naast rechtstreeks gerechtigde) ook uiteindelijk gerechtigde tot het dividend is. In de wettelijke maatregel is – aan de hand van feiten en omstandigheden – een bepaalde situatie omschreven waarin de belastingplichtige die het dividend ontvangt, niet wordt beschouwd als de uiteindelijk gerechtigde.

De zaak

De belanghebbende, een in Nederland gevestigde BV, maakt deel uit van een internationaal bankenconcern. Zij heeft aandelen in Nederlandse beursgenoteerde (AEX) fondsen verkregen en vervolgens uitgeleend aan haar indirecte moedervennootschap (‘de grootmoeder’) die in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. In dit verband zijn de AEX-aandelen overgeboekt van het effectendepot van de belanghebbende naar een effectendepot van de grootmoeder bij dezelfde bank/bewaarder.

Op de AEX-aandelen zijn dividenden uitgekeerd waarop Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. De grootmoeder administreerde de aflossing van elk van de aandelenleningen telkens vlak vóór het moment van zo’n dividenduitkering; zij liet daartoe de desbetreffende AEX-aandelen weer plaatsen in het effectendepot van de belanghebbende. De bank/bewaarder boekte dan het uitgekeerde dividend op de rekening van de belanghebbende. Korte tijd na de dividenduitkering werd opnieuw de uitlening van dezelfde soort en hoeveelheid aandelen door de belanghebbende aan de grootmoeder geadministreerd; de grootmoeder liet daartoe die aandelen weer plaatsen in haar eigen effectendepot.

De belanghebbende heeft de door haar ontvangen dividenden als baten tot haar winst gerekend en in de aangifte voor de vennootschapsbelasting verantwoord. Zij wenst de op die dividenden ingehouden dividendbelasting te verrekenen met de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting. De inspecteur heeft die verrekening geweigerd omdat volgens hem de belanghebbende op het moment van de dividenduitkeringen noch de rechtstreeks gerechtigde, noch de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden was, hoofdzakelijk omdat de belanghebbende op die momenten niet de juridisch eigenaar van de desbetreffende AEX-aandelen was, en zich de situatie voordeed zoals bedoeld in de wettelijke maatregel tegen dividendstripping.

Tegen de beslissing van de inspecteur werd beroep ingesteld en vervolgens hoger beroep.

Oordeel van het Hof

Anders dan de Rechtbank was het Hof van oordeel dat de inspecteur gelijk heeft. Dit betekent volgens het Hof dat de belanghebbende de ingehouden dividendbelasting niet kan verrekenen met de vennootschapsbelasting. De belanghebbende stelde tegen deze uitspraak beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad stelt – onder verwijzing naar het zogenoemde Market Maker-arrest - voorop dat de aandeelhouder als rechtstreeks gerechtigde in beginsel tevens als de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend wordt aangemerkt indien hij vrijelijk daarover kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. Op dit beginsel wordt een uitzondering gemaakt door de wettelijke maatregel tegen dividendstripping in (onder meer) de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Anders dan het Hof, komt de Hoge Raad tot het oordeel dat deze wettelijke maatregel een uitputtende regeling bevat van de gevallen waarin de aandeelhouder als rechtstreeks gerechtigde die vrijelijk over de dividenden kan beschikken en niet optreedt als zaakwaarnemer of lasthebber, toch niet de uiteindelijk gerechtigde is. In andere gevallen, die niet onder de omschreven uitzonderingssituatie zijn te brengen, staat deze maatregel niet eraan in de weg dat die aandeelhouder de hoedanigheid van uiteindelijk gerechtigde heeft.

De Hoge Raad baseert dit oordeel op de wetsgeschiedenis van de desbetreffende bepalingen. Daaruit blijkt dat is beoogd een zeer gerichte maatregel te treffen die is beperkt tot evidente gevallen van dividendstripping en dat ermee is volstaan de situatie te omschrijven waarin de opbrengstgerechtigde in elk geval niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden beschouwd. De wetgever heeft het weliswaar aan de rechter willen laten om het begrip uiteindelijk gerechtigde nader in te vullen, maar uit de wetsgeschiedenis kan niet worden opgemaakt aan welke voorwaarden of vereisten en omstandigheden de wetgever daarbij heeft gedacht.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het Hof over de reikwijdte van de wettelijke maatregel tegen dividendstripping juridisch onjuist.

Voor deze zaak betekent dit oordeel van de Hoge Raad dat de uitspraak van het Hof niet in stand blijft. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander gerechtshof om opnieuw te onderzoeken of de belanghebbende op het moment van uitkering van de dividenden als houder van de AEX-aandelen civielrechtelijk gerechtigd was tot die dividenden en, zo ja, of zij dan ook de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden was.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2024:49