Zoeken
Soms kan een lagere regeling van rechtswege ophouden te bestaan. Dat is het geval als, nadat die lagere regeling tot stand is gekomen, een hogere regeling wordt aangenomen die hetzelfde onderwerp regelt. De lagere regeling moet dan wijken voor de hogere regeling. Maar wanneer is sprake is van het regelen van hetzelfde onderwerp? In de zaak over de zogenoemde Emmense baliekluiver besliste de Hoge Raad dat daarvoor niet alleen naar de verboden gedraging zelf, maar ook naar het doel van de beide regelingen moet worden gekeken. Niet alleen hetzelfde onderwerp maar ook eenzelfde doel is noodzakelijk voor het buiten werking stellen van een eerdere (anterieure) lagere regeling door een latere (posterieure) hogere regeling. Sinds vandaag staat deze uitspraak van de Hoge Raad online op www.rechtspraak.nl.
Eerste prejudiciële vragen in strafzaken die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd
De veroordeling van een vader wegens jarenlange onttrekking aan het ouderlijk gezag van zijn twee minderjarige dochters blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De veroordelingen van twee broers wegens hun betrokkenheid bij een schietpartij in een woonwijk in Rosmalen blijven in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
Tilburg University reikt eredoctoraat uit aan Dineke de Groot
First use of preliminary ruling procedure in criminal proceedings
De veroordeling van Thijs H. wegens het plegen van een moord op 4 mei 2019 in de Scheveningse bosjes en twee moorden op 7 mei 2019 op de Brunssumerheide kan in stand blijven. Dat adviseert procureur-generaal (PG) Bleichrodt de Hoge Raad in zijn conclusie van vandaag.
De veroordeling van een man wegens de moord op zijn 79-jarige moeder uit Delft op 23 september 2018 en het verbergen van haar lichaam blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De veroordeling van een man tot levenslange gevangenisstraf wegens een moord en pogingen tot moord in de De Clercqstraat in Amsterdam op 13 mei 2015 en de voorbereiding van een liquidatie in 2017 blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
Bij de invoering van het Wetboek van Koophandel in 1838 werd de Naamloze Vennootschap (NV) gezien als een vorm van een maatschap, net als de vennootschap onder firma. De maatschap en de vennootschap onder firma hebben geen rechtspersoonlijkheid. In 1901 oordeelde de Hoge Raad uitdrukkelijk dat de NV een rechtspersoon is die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. Dit arrest is vandaag gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.