Prejudiciële vraag 20/01531


Rechtsgebied
Civiel
Verwijzende instantie
Rechtbank Den Haag (8170329 RL EXPL 19-26270)
Datum uitspraak
4 mei 2020
Vindplaats uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2020:4429
Status
In behandeling bij Raad
Datum conclusie PG
18 september 2020
Vindplaats conclusie PG
ECLI:NL:PHR:2020:889

Mag een CAO bepalen dat zwangerschaps- en bevallingsverlof niet wordt gecompenseerd als dit verlof samenvalt met een andere vakantie dan de zomervakantie, ook als hierdoor onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen?

De kantonrechter zal, na afstemming met partijen, de navolgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen.
1. Zijn de artikelen 15.1 lid 7 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 lid 7 CAO-VO 2018-2019 (waarin is bepaald dat zwangerschaps- en bevallingverlof niet wordt gecompenseerd in
Zaak-/rolnr.: 8170329 RL EXPL 19-26270 4 mei 2020
geval van samenloop met andere schoolvakanties dan de zomervakantie en de vijf extra dagen, zoals bedoeld in lid 1 onder a van artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VO 2018-2019) in strijd met artikel 7:646 lid 1 BW (waarin is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij - onder andere - de arbeidsvoorwaarden) en/of artikel 5 lid 1 sub e Awgb (dat het maken van onderscheid op grond van - onder meer - geslacht bij arbeidsvoorwaarden verbiedt), en daarmee nietig?
Of valt lid 7 van de artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VO 2018-2019 onder de uitzondering van artikel 7:646 lid 3 BW en dient dat artikellid te worden aangemerkt als beding dat betrekking heeft op de bescherming van de vrouw, met name in verband met. zwangerschap of moederschap?
2. Maakt het voor de beantwoording van voornoemde vraag nog verschil of lid 1 van de artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VO 2018-2019 zo worden uitgelegd dat:
1. de werknemer een recht op (een aantal dagen) vakantieverlof wordt toegekend in de omvang als daar verwoord, of
2. dit.artikellid slechts regelt wanneer de werknemer het wettelijke minimum aan vakantiedagen moet opnemen, omdat de CAO-VO 2016-2017 en CAO-VO 2018-2019 geen vakantiedagen boven dat wettelijk minimum toekennen?
Komt in dit verband aan nog betekenis toe aan het arrest van uw Raad van 9 augustus 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE2180; Dekker/ ROC I) waarin uw Raad heeft geoordeeld dat artikel I-C2 lid 1 van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO; inmiddels lid 1 van artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VÖ 2018-2019) niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen?
3. Zijn de artikelen 15.1 lid 7 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 lid 7 CAO-VO 2018-2019 tevens in strijd met artikel 3:4 Wet arbeid en zorg (WAZO) en/of artikel 7:636 BW?