Prejudiciële vraag 16/03954


Rechtsgebied
Belasting
Verwijzende instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (BRE 12/29, 12/30 en 12/152 t/m 12/154)
Datum uitspraak
1 augustus 2016
Vindplaats uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2016:4829
Status
In behandeling bij Raad
Datum conclusie PG
10 november 2016
Vindplaats conclusie PG
ECLI:NL:PHR:2020:531
Datum uitspraak HR
23 oktober 2020
Vindplaats uitspraak HR
ECLI:NL:HR:2020:1674
Ingediende schriftelijke opmerkingen

Verzoek om teruggaaf dividendbelasting door "Duits" niet-belastingplichtig beleggingsfonds; vergelijking met binnenlandse fiscale beleggingsinstelling; noopt de ‘Miljoen-rechtspraak’ van het HvJ EU tot terug komen van HR BNB 2015/203?

29-11-2018
Deels intrekking en deels handhaving van prejudiciële vragen in twee zaken over dividendbelasting
De Hoge Raad trekt zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak ECLI:NL:HR:2017:346 in. De vragen die de Hoge Raad in deze zaak heeft gesteld lijken met het arrest Fidelity Funds te zijn beantwoord. Hetzelfde geldt voor de eerste prejudiciële vraag in de zaak ECLI:NL:HR:2017:342. De Hoge Raad heeft ook het verzoek om beantwoording van deze vraag ingetrokken. Dat geldt niet voor de tweede en derde prejudiciële vraag die de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak ECLI:NL:HR:2017:342. Deze vragen zijn niet (volledig) beantwoord met het arrest Fidelity Funds. De Hoge Raad heeft deze vragen daarom gehandhaafd.

03-08-2016
De rechtbank:

- stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vragen:

1. Ziet de Hoge Raad reden om terug te komen op de beslissing in zijn arrest van 10 juli 2015, nr. 14/03956, ECLI:NL:HR:2015:1777, BNB 2015/203, namelijk dat een in het buitenland gevestigd beleggingsfonds reeds niet vergelijkbaar is met een Nederlandse fbi omdat een dergelijk beleggingsfonds niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting?

Voor het geval uit de antwoorden van de Hoge Raad volgt dat in het kader van de vergelijkbaarheidstoets ook wordt toegekomen aan de vraag of aan de wettelijke eisen voor de fbi wordt voldaan:

2. Indien een in het buitenland gevestigd beleggingsfonds niet aannemelijk maakt dat aan de in de Wet Vpb neergelegde criteria voor de zogenoemde aandeelhouderseis wordt voldaan, betekent dit dan zonder meer dat dat fonds niet objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fbi?

3. Indien niet aan de uitdelingseis zou worden voldaan maar het heffingsregime van het land van vestiging van het beleggingsfonds inhoudt dat (een deel van) de winst van het beleggingsfonds bij de aandeelhouders wordt belast als ware die uitgekeerd, is dan voor de unierechtelijke vergelijkingstoets sprake van een situatie die gelijkgesteld kan worden aan die waarin wel aan de uitdelingseis is voldaan?

4a. Kan naar Nederlands recht slechts worden voldaan aan de uitdelingseis indien een beleggingsfonds (wettelijk of statutair) verplicht is zijn winsten door uit te delen?

Indien vraag 4a bevestigend wordt beantwoord:
4b. Indien een in het buitenland gevestigd beleggingsfonds wel feitelijk aan de uitdelingseis voldoet (zonder dat er een wettelijk of statutaire verplichting tot dooruitdeling was), is dat dan voor de unierechtelijke vergelijkingstoets voldoende om vergelijkbaar te zijn met een Nederlandse fbi op het punt van de uitdelingseis?

5. Dient de beoordeling of — in kwantitatieve zin - aan de uitdelingseis wordt voldaan in het kader van de vergelijkbaarheidstoets, te geschieden naar strikt Nederlandse maatstaven of kan bij die beoordeling rekening worden gehouden met winst die niet is uitgekeerd maar naar Duitse maatstaven wel geacht wordt te zijn uitgekeerd?

- houdt iedere verdere beslissing aan.

De Hoge Raad heeft bij beslissing van 8 mei 2017 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in deze zaak een aanvullende prejudiciële vraag ontvangen die het zaaknummer 17/02428 heeft gekregen.
Schriftelijke opmerkingen Indiener Reactiedatum
16-03954-D0012 - Schriftelijke opmerkingen.pdf A. Breuer 26 september 2016
16-03954-D0014 - Schriftelijke opmerkingen.pdf A.B.M.O. van Streepen (De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs) 26 september 2016