Prejudiciële vraag 21/00615


Rechtsgebied
Civiel
Verwijzende instantie
Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (8674876/EJ VERZ 20-213 en 8675941 EJ VERZ 20-214)
Datum uitspraak
8 februari 2021
Vindplaats uitspraak
ECLI:NL:RBNHO:2021:205
Status
Schriftelijke opmerkingen

Moet artikel 4:218 lid 5 BW aldus worden uitgelegd dat het in artikel 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel van overeenkomstige toepassing is op de vereffening van een nalatenschap?

3.1. stelt de volgende vragen aan de Hoge Raad:
Moet artikel 4:218 lid 5 BW aldus worden uitgelegd dat het in artikel 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel van overeenkomstige toepassing is op de vereffening van een nalatenschap?
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord:
dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenaamde ‘zware ’ en de ‘lichte ’ vereffening? Met andere woorden, is het fixatiebeginsel ook van toepassing op erfgenaam-vereffenaars op wie de verplichtingen omschreven in art. 4:218 BW niet rusten? Zo ja, met ingang van welke datum moeten de rentevorderingen in dat geval worden gefixeerd?
Indien de vraag ontkennend wordt beantwoord:
dienen de rentevorderingen zowel bij een positief als bij een negatief saldo vàn de nalatenschap op de uitdelingslijst te worden opgenomen? Indien deze alleen bij voldoende baten op de uitdelingslijst moeten worden geplaatst, zijn er algemene richtlijnen te geven wanneer sprake is van voldoende baten (rekening houdend met bijvoorbeeld oplopende rente en vereffeningskosten)?