Prejudiciële vraag 26/00887
- Rechtsgebied
- Civiel
- Datum publicatie
- 16 maart 2026
- Verwijzende instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg (C/02/411977 / FA RK 23-3406)
- Datum uitspraak
- 3 maart 2026
- Vindplaats uitspraak
- Status
- Ingekomen
Levert de vangnetbepaling artikel 1:5 lid 5 BW strijd op met o.a. artikel 8 en/of artikel 14 EVRM ect.?
Levert de vangnetbepaling artikel 1:5 lid 5 BW (waarin een kind de geslachtsnaam krijgt van
een van de juridische ouders bij het ontbreken van een gezamenlijke keuze voor een
gecombineerde geslachtsnaam) strijd op met:
a. artikel 8 en/of artikel 14 EVRM?
b. artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (zoals
thans de Hoge Raad concludeerde op 23 september 1988, NJ 1989. 740)?
c. artikel 16, in het bijzonder het eerste lid, onder g, van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (zoals het College voor
de Rechten van de Mens thans concludeerde en het Verdragscomité, het DEDAW, al
driemaal heeft geconstateerd)?
Vraag 2:
Is er sprake van discriminatie tussen een vader die het kind na de geboorte (met vervangende
toestemming) erkend heeft enerzijds en degene die door het huwelijk juridisch ouder wordt
anderzijds voor zover dit ziet op het geven van een gecombineerde geslachtsnaam aan een
kind?
Vraag 3:
Indien vraag 1 en/of 2 positief worden beantwoord, welke naam dient het kind dan te krijgen
bij gebrek aan een gezamenlijke keuze ten aanzien van de geslachtsnaam door de juridische
ouders?
Vraag 4:
Levert het ontbreken van de mogelijkheid om vervangende toestemming te krijgen om een
gecombineerde geslachtsnaam vast te stellen in het geval een juridisch ouder niet instemt met
een naamkeuze strijd op met artikel 6 EVRM?
Vraag 5:
Indien vraag 4 positief wordt beantwoord, welke maatstaf dient de rechter te gebruiken bij
het beoordelen van liet verzoek tot vervangende toestemming ten aanzien van een
naamskeuze?
Boven besproken problematiek is slechts in een beperkt aantal situaties en gedurende een
beperkte termijn van toepassing. Buiten deze situaties dient zich de vraag aan wat te doen als
de man het niet eens is met de gekozen geslachtsnaam en bij Dienst Justis om wijziging
vraagt. Vandaar de volgende twee vragen:
Vraag 6:
Levert het ontbreken van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot
geslachtsnaamwijziging bij Dienst Justis door een ouder zonder gezag op grond van artikel
1:7 BW strijd op met artikel 6 EVRM? En geldt dit ook in het geval er sprake is van
gezamenlijk gezag en de andere ouder geen toestemming geeft voor het indienen van het
verzoek?
Vraag 7:
Indien vraag 6 positief wordt beantwoord, welke rechter zou een geschil hieromtrent moeten
Zaak/rekestnr: C/02/411977 / FA RK 23-3406 beoordelen?