Prejudiciële vraag 26/00859


Rechtsgebied
Civiel
Datum publicatie
13 maart 2026
Verwijzende instantie
Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (C/16/602078/FO RK 25-1373)
Datum uitspraak
12 maart 2026
Vindplaats uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1024
Status
Schriftelijke opmerkingen
Reactietermijn
14 april 2026 tot en met 29 mei 2026

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de te volgen procedure bij verzoeken tot benoeming van een voogd over alleenstaande minderjarige asielzoekers.

De rechtbank stelt de volgende vragen aan de Hoge Raad:
1.
Welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële)
documenten, mag de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de
minderjarige in Nederland van gecertificeerde instelling verwachten afgezet tegen het belang om snel te
beslissen? En welke moeite moet gecertificeerde instelling zich hebben getroost om aan de documenten
te komen?
2. Is een verzoek van gecertificeerde instelling om met voogdij op grond van artikel l:253q en r BW over
een alleenstaande minderjarige asielzoeker van buiten de Europese Unie benoemd te
worden een verzoek als bedoeld in artikel 800 lid 1 Rv dat voor onmiddellijke
toewijzing, dus zonder zitting, gereed is?
3. Maakt het bij de beantwoording van vraag 2) uit of van ouders verblijfs- of
a.
contactgegevens bekend zijn buiten Europa? Wanneer brengt de beschikbaarheid van
contactgegevens met zich mee dat ouders in de mogelijkheid zijn om hun gezag uit
te oefenen?
4. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de
rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een
mondelinge behandeling betreft als er:
(nog) geen contactgegevens bekend zijn, moet er dan toch een oproeping via
de Staatscourant plaatsvinden (met een oproeptermijn van drie maanden)?
b. contactgegevens van (de) ouder(s) bekend zijn in een land buiten de
Europese Unie, moet er dan op reguliere wijze betekening plaatsvinden in
het buitenland (hetgeen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn)?
5. Moeten de minderjarigen in bedoelde zaken (in alle gevallen) in de gelegenheid
worden gesteld hun mening kenbaar te maken door middel van een oproep voor een
kindgesprek?
6. Luidt het antwoord op vraag 5 anders indien de minderjarige - bijgestaan door een
tolk - een verklaring heeft getekend waaruit blijkt dat hij/zij geïnformeerd is over de
mogelijkheid op een kindgesprek te komen en van dat kindgesprek afziet?