Prejudiciële vraag 24/00541


Rechtsgebied
Civiel
Datum publicatie
19 februari 2024
Verwijzende instantie
Rechtbank Rotterdam (C/10/219467/J2 RK 04-611)
Datum uitspraak
5 februari 2024
Vindplaats uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2024:1916
Status
Schriftelijke opmerkingen
Reactietermijn
5 maart 2024 tot en met 16 april 2024

Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure?

A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een
dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een
procedure? Zo nee, kan een van de voornoemde artikelen al dan niet analoog
worden toegepast?
B. Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan een van de in het
lichaam van de uitspraak van 4 oktober 2023 genoemde artikelen in dat geval dan
analoog worden toegepast?
C. Als er een wettelijke basis is - al dan niet naar analogie - voor inzage/afschrift van
dossierstukken na afloop van een procedure, hebben minderjarigen die tijdens de
procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam
vanwege hun minderjarigheid, dan ook recht op inzage/afgifte zodra ze
meerderjarig zijn geworden?
D. Heeft een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure
betrekking op alle informatie uit het dossier of moet bepaalde informatie worden
verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden
zoals broers en zussen?
E. Is het doel van de aanvraag nog van belang (bijvoorbeeld voor een
verwerkingsproces ofvoor het doen van een schadevergoedingsverzoek)?
F. Moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds
minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures
die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de
jeugdzorginstantie werden gevoerd?
G. Dient bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eventueel een parallel te worden
getrokken met artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid,WOO? En, zo ja, op
welke wijze?
H. In hoeverre speelt art. 8 EVRM bij de beoordeling van verzoeken tot inzage een
rol?