Veroordeling voor moord met badjaskoord blijft in stand

22 mei 2026

De veroordeling van een verdachte voor de moord op zijn echtgenote door haar te verwurgen met een badjaskoord blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

De man wordt ervan verdacht zijn vrouw om het leven te hebben gebracht op 18 oktober 2020 in hun woning in Den Haag. De rechtbank veroordeelde de verdachte wegens moord. Die veroordeling was hoofdzakelijk gebaseerd op verklaringen van de verdachte, waaruit volgde dat hij zijn vrouw had gewurgd met de ceintuur van zijn badkamerjas. De verklaringen van de verdachte vonden volgens de rechtbank steun in andere bewijsmiddelen waaruit onder meer volgde dat om de nek van het lichaam van de vrouw een donkerblauw badjaskoord stevig was aangetrokken en dat zij is overleden door verwikkelingen van omsnoerend en/of (samen)drukkend geweld op de hals.

Op de zitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte zijn proceshouding had gewijzigd. Hij gaf toen aan dat hij ten onrechte door de rechtbank was veroordeeld. Ondanks deze gewijzigde proceshouding kwam ook het hof tot een veroordeling voor moord en legde een gevangenisstraf op van tien jaar en tbs.

De verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte vroeg de Hoge Raad de uitspraak te vernietigen. In cassatie is geklaagd over (1) de afwijzing door het hof van de verzoeken van de verdediging tot het horen van een getuige, het identificeren van personen op camerabeelden en het verrichten van DNA-onderzoek. Ook is geklaagd (2) dat het hof niet heeft gereageerd op een standpunt van de verdediging dat het dossier aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van derden bij de moord, (3) dat het hof de ‘voorbedachte raad’ ontoereikend heeft gemotiveerd en (4) dat de redelijke termijn voor de afdoening van de zaak in hoger beroep is overschreden.

Advies advocaat-generaal (AG)

AG Paridaens adviseerde de Hoge Raad op 17 maart 2026 de veroordeling in stand te laten. In verband met de cassatieklacht over de duur van de procedure in hoger beroep adviseerde de AG de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen en de opgelegde gevangenisstraf naar bevind van zaken te verminderen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is van oordeel dat de eerste drie cassatieklachten niet slagen en heeft de klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat ze niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof kunnen leiden en geen juridische belangrijke nieuwe vragen oproepen die moeten worden beantwoord.

De klacht over de redelijke termijn slaagt wel, maar dat hoeft volgens de Hoge Raad niet te leiden tot cassatie omdat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de opgelegde gevangenisstraf te verminderen tot negen jaar zes maanden. De opgelegde tbs-maatregel blijft ongewijzigd in stand.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:791