Hoge Raad: uitlevering moordverdachte VS in haar geheel toelaatbaar

17 maart 2026

De uitlevering van een vrouw (hierna: de opgeëiste persoon) die ervan wordt verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op haar ex-partner in de Verenigde Staten (VS), kan in haar geheel toelaatbaar worden geoordeeld. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de uitlevering toelaatbaar was voor twee strafbare feiten maar ontoelaatbaar voor een derde feit. Over dit laatste klaagde het openbaar ministerie (OM) en volgens de Hoge Raad slaagt die cassatieklacht. Ook de opgeëiste persoon diende in cassatie klachten in, maar die klachten falen.

De zaak

De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op haar ex-vriend. Haar moeder en een kennis zijn medeverdachten. De opgeëiste persoon zou de kennis hebben aangezet tot de moord, die op 18 augustus 2021 in South Carolina in de VS plaatsvond. Na de moord zou de opgeëiste persoon in verhoren meerdere keren hebben gelogen en informatie hebben achtergehouden. In maart 2025 is de opgeëiste persoon met haar dochter naar Nederland vertrokken. Op 2 juni 2025 hebben de autoriteiten van de VS Nederland verzocht om haar uitlevering zodat zij haar strafrechtelijk kunnen vervolgen in de VS. De uitlevering is verzocht voor drie feiten, namelijk (1) ‘accessory before the fact of murder’ en (2) ‘conspiracy to commit murder’, naar Nederlands recht te zien als vormen van deelneming aan moord en (3) ‘accessory after the fact of murder’, het verlenen van hulp aan een dader na het misdrijf.

De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor de feiten 1 en 2 en ontoelaatbaar voor feit 3. Zowel de opgeëiste persoon als het OM stelde tegen de uitspraak van de rechtbank cassatieberoep in bij de Hoge Raad. In uitleveringszaken kan tegen uitspraken van de rechtbank rechtstreeks cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten

De cassatieklachten van de opgeëiste persoon houden verband met de onzekerheid over de strafbare feiten die haar zullen worden ten laste gelegd in de VS, de mogelijkheid dat in de strafzaak de doodstraf zal worden gevorderd en opgelegd en de in dat kader door de Amerikaanse autoriteiten gegeven garanties.
De cassatieklacht van het OM ziet op het ontoelaatbaar verklaarde deel van de uitlevering.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklachten van de opgeëiste persoon niet slagen en heeft deze klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat ze niet tot vernietiging van de uitspraak kunnen leiden en geen juridische belangrijke nieuwe vragen oproepen die moeten worden beantwoord.

De cassatieklacht van het OM slaagt wel. De rechtbank heeft in het kader van de gedeeltelijke ontoelaatbaarheid overwogen dat feit 3, ‘accessory after the fact of murder’, naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als hulp aan een dader na een misdrijf (art. 189 Wetboek van Strafrecht) en dat voor dit feit ten hoogste zes maanden gevangenisstraf kan worden opgelegd. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat daarmee niet voldaan is aan de vereisten van de Uitleveringswet (artikel 5) en van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten (artikel 2 lid 2) dat alleen wordt uitgeleverd voor een feit waarop een vrijheidsstraf staat van meer dan één jaar.

Gelet op artikel 94 van de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Op grond van het Uitleveringsverdrag (artikel 2 lid 5) kan worden uitgeleverd voor een feit dat op zichzelf niet aan het strafminimum van één jaar voldoet, als tegelijkertijd wordt uitgeleverd voor een of meer andere feiten waarvoor uitlevering wel is toegestaan. In zo’n geval blijft artikel 5 Uitleveringswet buiten toepassing. Omdat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor de feiten 1 en 2 heeft de rechtbank miskend dat de uitlevering voor feit 3 dan ook kan worden toegestaan.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af en verklaart de uitlevering ook toelaatbaar voor feit 3.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:448