Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over het na massaal bezwaar wijzigen van de verdeling van de heffingsgrondslag voor box 3 tussen fiscale partners
Kan de verdeling van de grondslag sparen en beleggen (box 3) tussen fiscale partners nog worden gewijzigd als een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure? Deze prejudiciële vraag heeft de Rechtbank Den Haag gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De belastingplichtige wiens aanslag IB/PVV door de collectieve uitspraak is komen vast te staan, kan samen met zijn fiscale partner de door hen eerder gekozen verdeling in box 3 nog wijzigen. In het geval de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, is wijziging van die verdeling nog mogelijk tot zes weken nádat de aanslag door de inspecteur naar aanleiding van die collectieve uitspraak is verminderd.
De zaak en procedure bij rechtbank
Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter over een De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag IB/PVV voor het jaar 2017. Het bezwaar is meegenomen in de massaalbezwaarprocedure over de box 3-heffing voor dat jaar. Dit bezwaar is bij collectieve uitspraak gegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur een verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 aan belanghebbende gestuurd. De belanghebbende en zijn fiscale partner hebben daarna een verzoek ingediend om de tussen hen tot stand gekomen onderlinge verhouding (de verdeling) voor de grondslag sparen en beleggen (box 3) te wijzigen. Zij willen die grondslag volledig toerekenen aan de fiscale partner van de belanghebbende. Voor de Rechtbank is in geschil of zo’n wijziging na de collectieve uitspraak op het bezwaar nog mogelijk is. De Rechtbank heeft hieroverrechtsregel waarover de Hoge Raad niet eerder heeft geoordeeld. Het moet gaan om een vraag die zich voordoet in een concrete zaak die bij een rechtbank of gerechtshof in behandeling is en die van belang is voor de beslissing in een groot aantal andere zaken.
Oordeel Hoge Raad
Met ingang van 1 januari 2009 biedt de wet de mogelijkheid de onderlinge verdeling tussen fiscale partners voor box 3 te wijzigen totdat voor beide partners de aanslagen IB/PVV onherroepelijk zijn. In het geval een aanslag onherroepelijk komt vast te staan door een uitspraak van de Hoge Raad, kan de onderlinge verdeling nog tot zes weken na de uitspraak van de Hoge Raad worden gewijzigd.
De regeling over de massaalbezwaarprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingevoerd. Met ingang van 2016 zijn de mogelijkheden, die er eerder waren, tot het verkrijgen van een individuele uitspraak na een massaalbezwaarprocedure, vervallen. Sindsdien beslist de inspecteur op de bezwaren waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar geldt, door middel van één collectieve uitspraak nadat de rechtsvraag die daarvoor van belang is, onherroepelijk is beantwoord door de rechter. Dat geldt ook in het geval de inspecteur bij deze rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. In dat geval vermindert de inspecteur de belastingaanslagen waarop de in de massaalbezwaarprocedure betrokken bezwaren betrekking hebben, binnen zes maanden na de collectieve uitspraak op bezwaar. De betrokken belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing niet meer in rechte opkomen. Tegen de collectieve uitspraak op bezwaar kan namelijk geen beroep worden ingesteld; tegen de desbetreffende verminderingsbeschikking kan ook niet een rechtsmiddel worden aangewend. Door de collectieve uitspraak op bezwaar wordt de aanslag dus onherroepelijk voor zover het bezwaar daartegen als massaal bezwaar is aangewezen.
De hiervoor bedoelde wijziging van de massaalbezwaarprocedure zou bij een letterlijke uitleg tot gevolg hebben dat de belastingplichtige na de collectieve uitspraak op bezwaar (waardoor zijn aanslag IB/PVV onherroepelijk is komen vast te staan) geen mogelijkheid meer heeft om met zijn fiscale partner te kiezen voor een wijziging van de onderlinge verdeling voor box 3. Met dit gevolg heeft de wetgever bij de wetswijziging kennelijk geen rekening gehouden, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad is van oordeel dat in redelijkheid niet valt in te zien waarom aan belastingplichtigen minder gelegenheid tot wijziging van een eerder gekozen verdeling zou moeten worden geboden na een massaalbezwaarprocedure dan na een uitspraak van de Hoge Raad in een door de belastingplichtige gevoerde individuele procedure.
In het laatste geval is kennelijk het uitgangspunt van de wetgever geweest dat hiervoor aan de betrokken belastingplichtige na de uitspraak van de Hoge Raad nog een termijn van zes weken moet worden gegund, omdat zij pas op basis van die uitspraak voldoende duidelijkheid zullen hebben over de cijfermatige gevolgen van de eerder door hen gekozen verdeling voor box 3 en van een eventuele wijziging daarvan. Gezien dit uitgangspunt brengt een redelijke wetstoepassing mee dat belastingplichtigen na een uitspraak in een massaalbezwaarprocedure ook zes weken de tijd krijgen om samen met hun fiscale partner een gekozen verdeling te wijzigen. In gevallen waarin de inspecteur bij die rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, zullen deze gevolgen veelal nog niet volledig duidelijk zijn na de collectieve uitspraak. Die duidelijkheid ontstaat pas na de individuele verminderingsbeschikking van de inspecteur. Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft in deze gevallen als vaste regel te gelden dat de onderlinge verdeling voor box 3 kan worden gewijzigd tot zes weken nadat de aanslag IB/PVV door de inspecteur naar aanleiding van de collectieve uitspraak (bij beschikking) is verminderd.
Hoe verder
De Rechtbank zal de zaak nu voortzetten met inachtneming van de antwoorden van de Hoge Raad. Deze antwoorden zijn ook van belang voor rechters die in vergelijkbare zaken beslissen.
Publicatie op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2026:495