Conclusie procureur-generaal in herzieningszaak ten nadele: vraag advies aan EHRM over de toepassing van de Wet herziening ten nadele op oude strafzaken
De procureur-generaal (PG) bij de Hoge Raad, Edwin Bleichrodt, heeft vandaag een conclusie genomen in een zaak waarin het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie een aanvraag heeft ingediend tot herziening van een vrijspraak van een toenmalige verdachte van een moord uit 2006. De vrijspraak is in 2012 definitief geworden.
In 2013 is de Wet herziening ten nadele (hierna: herzieningsregeling) in werking getreden. Op grond van die wet is onder strikte voorwaarden herziening van vrijspraken mogelijk, een zogenoemde herziening ten nadele. Onduidelijk is of de toepassing van de herzieningsregeling uit 2013 op vrijspraken die definitief zijn geworden vóór de inwerkingtreding van de herzieningsregeling verenigbaar is met rechten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarom adviseert de PG de Hoge Raad het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) advies te laten uitbrengen.
De zaak
Het herzieningsverzoek van het College van procureurs-generaal betreft een moordzaak uit 2006, waarbij een destijds 28-jarige vrouw dood is aangetroffen in een woning in Alphen aan den Rijn. In 2006 kwam een verdachte in beeld die door het Openbaar Ministerie werd vervolgd voor moord. De betrokkene werd door de rechtbank en het gerechtshof vrijgesproken. De vrijspraak werd definitief na de cassatieprocedure in 2012.
Het herzieningsverzoek ten nadele
Herziening van een onherroepelijke vrijspraak is mogelijk geworden door een wet die op 1 oktober 2013 in werking is getreden. Deze wet maakt herziening van vrijspraken in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Als een herzieningsverzoek door de Hoge Raad wordt toegewezen, wordt de strafzaak heropend.
Het herzieningsverzoek van het College van procureurs-generaal is op deze regeling gebaseerd. Het College van procureurs-generaal wil de strafzaak heropenen, omdat er volgens het College nieuw bewijs is.
Het is de tweede keer dat aan de Hoge Raad wordt gevraagd om een strafzaak na een definitieve vrijspraak te heropenen. Het eerste verzoek betrof de zogenoemde Vivaldi-zaak. Dat verzoek is 2016 behandeld door de Hoge Raad en werd toen afgewezen. Ook in de Vivaldi-zaak ging het om een vrijspraak die definitief was geworden vóór de inwerkingtreding van de herzieningsregeling. De advocaat-generaal concludeerde toen dat onzeker is of de toepassing van de wet op vrijspraken van vóór de inwerkingtreding van de wet in strijd is met het EVRM. De Hoge Raad heeft in die zaak, om redenen van doelmatigheid, het antwoord op die vraag in het midden gelaten.
Advies procureur-generaal
Een belangrijke vraag in deze herzieningszaak is de vraag of de herzieningsregeling uit 2013 kan worden toegepast op de vrijspraak in deze zaak die in 2012 definitief is geworden. Wetten waaruit strafbaarstellingen en straffen volgen mogen niet met terugwerkende kracht worden toegepast op situaties die bestonden vóór de inwerkingtreding van de wet. Dat verbod van terugwerkende kracht hangt samen met het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. Deze beginselen hebben een plaats gekregen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De vraag is of de herzieningsregeling uit 2013 toegepast mag worden op een vrijspraak die al in 2012 definitief is geworden. Het EHRM heeft deze vraag nog niet beantwoord. Daarbij komt dat de herzieningsregeling in zijn geheel moet voldoen aan de eisen van een eerlijk proces. Daaronder valt ook de eis van rechtszekerheid. In dat kader is een afweging van belangen nodig. Of de terugwerkende kracht van de herzieningsregeling in lijn is met het verdragsrecht kan volgens de procureur-generaal niet duidelijk worden afgeleid uit de rechtspraak van het EHRM.
Als de herzieningsregeling niet van toepassing is op vrijspraken die definitief zijn geworden voor 1 oktober 2013, kan de herzieningsaanvraag van het College van procureurs-generaal in deze zaak niet worden toegewezen. Het antwoord op deze vraag is daarom van groot belang voor de zaak en moet worden beantwoord voordat een inhoudelijke beoordeling van het herzieningsverzoek kan plaatsvinden. Daarom stelt de procureur-generaal voor om advies te vragen aan het EHRM over de uitleg van het EVRM in relatie tot de toepassing van de herzieningsregeling op vrijspraken die vóór de inwerkingtreding van de wet definitief zijn geworden. Het gaat niet om de herzieningsregeling zelf. De PG gaat in zijn conclusie niet in op de vraag of het nieuwe bewijs dat is aangedragen in het herzieningsverzoek, voldoende is voor een toewijzing van het verzoek.
De mogelijkheid om advies te vragen aan het EHRM bestaat in Nederland sinds 2019. Een advies van het EHRM is niet bindend, maar wel leidend. De Hoge Raad maakte nog niet eerder gebruik van deze mogelijkheid. Als de Hoge Raad de conclusie van de procureur-generaal volgt en advies vraagt aan het EHRM, wordt de herzieningszaak aangehouden totdat het EHRM advies heeft uitgebracht.
Uitspraak Hoge Raad
De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 30 juni 2026.