Advies AG aan Hoge Raad: veroordelingen en opgelegde straffen in zaak Eris in stand laten

24 maart 2026

De veroordelingen en opgelegde straffen in de zaken tegen tien verdachten in de zogenoemde zaak Eris kunnen in stand blijven. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Aben de Hoge Raad in zijn conclusies van vandaag.

De zaak

Het onderzoek Eris gaat over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017. Daarnaast gaat het om voorbereidingen voor het vermoorden van een aantal andere personen. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie (OM) had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het opsporingsonderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de (hoofd)verdachte (dat is de oprichter en leider van de motorclub Caloh Wagoh) werden diverse computers en mobiele toestellen aangetroffen. Hierop vond de politie onder meer (opnamen van) chats die de hoofdverdachte met anderen over liquidaties en opdrachten tot liquidaties had gevoerd. In totaal zijn in het onderzoek Eris 21 personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. Het hof legde aan drie verdachten een levenslange gevangenisstraf op. Zij gaven volgens het hof opdrachten voor een aantal van de gepleegde liquidaties, ook voor liquidaties die uiteindelijk niet zijn uitgevoerd. De andere verdachten kregen voor hun rol gevangenisstraffen variërend van één jaar tot 28 jaar.

In elf zaken is bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld. In één zaak is de verdachte inmiddels overleden. In die zaak is niet inhoudelijk geconcludeerd.

Cassatieklachten

De advocaten vragen de Hoge Raad de veroordelingen te vernietigen. In cassatie zijn drie thema’s aan de orde gesteld die in een (groot) aantal zaken spelen.

Dit is allereerst de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige.

In de tweede plaats wordt in cassatie opgekomen tegen de beslissing van het hof om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die het OM en de politie hebben begaan bij het onderzoek naar informatie in de mobiele toestellen van de verdachten en bij het opvragen van gegevens bij providers. De klachten in cassatie houden in dat het hof op basis van de arresten Prokuratuur en Landeck van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan die vormverzuimen sancties, zoals bewijsuitsluiting, had moeten verbinden.

Ten derde is in de zaken van de drie verdachten die tot levenslang zijn veroordeeld geklaagd over het oordeel van het hof dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet wordt verhinderd door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarin is onder meer het verbod op een onmenselijke bestraffing vastgelegd.

Conclusies AG

Rechtmatigheid kroongetuige
In cassatie is aangevoerd dat het OM bij het bepalen van de strafeis voor de kroongetuige naar beneden is afgeweken van de overeenkomst die met de kroongetuige was gesloten en die door de rechter-commissaris rechtmatig was bevonden. De deal met de kroongetuige hield in dat 50% korting zou worden gegeven op een ‘basisstrafeis’ van 24 jaar gevangenisstraf. Het OM heeft echter ter terechtzitting 50% korting geëist op een basisstrafeis van 20 jaren gevangenisstraf. De reden hiervoor was de wijziging van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (vi) door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. Door deze wetswijziging zit een veroordeelde in beginsel een groter deel van zijn totale straftijd gedetineerd. Het OM rekende het hof voor dat de kroongetuige bij 50% korting op de basisstraf onder de nieuwe vi-regeling bij een basisstraf van 20 jaar gevangenisstraf netto evenveel tijd in detentie moet doorbrengen als bij een basisstraf van 24 jaar gevangenisstraf onder de oude vi-regeling.

Er is geklaagd (i) dat de oorspronkelijk deal met de kroongetuige is vervallen en dat de rechtmatigheid van de gewijzigde afspraak dus in strijd met de wet niet door de rechter-commissaris is beoordeeld, (ii) dat het OM, door 10 jaren (in plaats van 12 jaren) gevangenisstraf te eisen, de basisstrafeis van 24 jaren in strijd met de wet met méér dan de helft heeft verminderd en (iii) dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de verlaging van de basisstrafeis niet hoeft te worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen door de kroongetuige. Daarnaast is in een aantal zaken ook geklaagd dat het OM aan de kroongetuige een verkapte financiële beloning heeft gegeven, namelijk door af te zien van de ontneming van de opbrengst van misdrijven.

De AG concludeert dat al deze klachten niet slagen en dat het oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst in stand kan blijven.

Landeck
Het hof is in de zaak uit eigen beweging ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek naar informatie in de mobiele toestellen van de verdachten en bij het opvragen van gegevens over het telefoonverkeer van de verdachten bij providers.

Het hof overwoog dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek door de officier van justitie of de politie onderzoek is gedaan naar gegevens die zijn opgeslagen in de mobiele toestellen van de verdachten, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een (schriftelijke) machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat bij dat onderzoek nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Verder ging het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan naar verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) over het telefoonverkeer van de verdachten die de officier van justitie bij providers heeft opgevraagd, echter zonder voorafgaand toezicht door de rechter. Waar dit in het opsporingsonderzoek is gebeurd, is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen. Het OM had vooraf toestemming moeten vragen aan de rechter-commissaris, maar niet blijkt dat dat is gedaan. Het hof heeft echter volstaan met het vaststellen van deze vormverzuimen en heeft daar dus geen sanctie aan verbonden. Deze beslissing is volgens de advocaten van de verdachten onvoldoende gemotiveerd.

De AG concludeert dat ook deze klachten niet kunnen slagen. Volgens de AG hoefde het hof aan de vaststelling van vormverzuimen geen sanctie te verbinden.

Levenslange gevangenisstraf
Door de advocaten van drie verdachten is aangevoerd dat de levenslange gevangenisstraf wegens strijd met artikel 3 EVRM niet mag worden opgelegd. Zij wijzen vooral op de knelpunten bij de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en bij de procedure voor de herbeoordeling van een levenslange gevangenisstraf. De AG zet uiteen dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 8 juli 2025 algemene beschouwingen heeft gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. Die overwegingen heeft de Hoge Raad in een uitspraak van 10 februari 2026 nog eens herhaald. Gelet daarop concludeert de AG dat het oordeel van het hof dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in deze zaak geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert, door de beugel kan en voldoende is gemotiveerd.

Slotsom

De AG adviseert de Hoge Raad de veroordelingen en de opgelegde straffen in de zaken tegen tien verdachten in stand te laten. In de zaak tegen de overleden verdachte adviseert de AG de Hoge Raad om het OM niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitspraak Hoge Raad

De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 7 juli 2026.

Een conclusie bevat een onafhankelijke analyse van en oordeel over een zaak waarover de Hoge Raad moet beslissen. Daarbij gaat het om voorlichting en advisering van de Hoge Raad. In een conclusie wordt een zaak vaak uitvoeriger en vanuit een breder perspectief besproken dan in de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee dient de conclusie niet alleen de kwaliteit van de rechtspraak in de concrete zaak, maar ook de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Een conclusie wordt meestal genomen door een van de advocaten-generaal in het parket, namens de procureur-generaal. De advocaten-generaal zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun conclusies.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:PHR:2026:299

Publicatie van de andere conclusies volgt.