Advies AG aan Hoge Raad: veroordeling voor doodslag op partner in Arnhem kan in stand blijven

10 maart 2026

De veroordeling van een verdachte voor onder meer doodslag op zijn partner op 7 juli 2020 in Arnhem kan in stand blijven. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Van Kempen de Hoge Raad in zijn conclusie van vandaag.

De zaak

Op 7 juli 2020 is de partner van de verdachte overleden aan haar verwondingen als gevolg van een schot dat door de verdachte met een vuurwapen is afgevuurd. De verdachte en het slachtoffer bevonden zich op dat moment in de slaapkamer van hun woning. De rode lijn in de verklaringen van de verdachte over het schietincident is dat de dood van de vrouw een ongeluk was. Volgens zijn verklaring zouden hij en het slachtoffer vlak voor het fatale moment hebben gegrapt over het wapen dat hij in de badkamer bewaarde. Hij heeft ook verklaard dat hij het wapen pakte, omdat hij het slachtoffer voor de grap wilde laten schrikken, dat hij dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond maar dat het wapen toen per ongeluk afging.

De rechtbank veroordeelde de verdachte voor dood door schuld. In hoger beroep achtte het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van zijn partner en veroordeelde de verdachte voor doodslag. Het hof legde een gevangenisstraf op van acht jaar. Het hof wees de vordering van een van de benadeelde partijen tot schadevergoeding geheel toe, en verklaarde de vordering van de andere benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Tegen deze uitspraak stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Ook de door het hof niet-ontvankelijk verklaarde benadeelde partij is in cassatie gekomen.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte vraagt de Hoge Raad de veroordeling te vernietigen. In cassatie wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van doodslag juridisch niet juist is. Zo zou het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het teweegbrengen van dodelijk letsel juridisch onjuist en onbegrijpelijk zijn, gelet op de vaststelling door het hof dat de verdachte “dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond”. Het hof zou de verdachte in de kern hebben verweten dat hij “zich er niet van heeft vergewist of het wapen daadwerkelijk in de veiligheidsstand stond, toen hij dit wapen in de richting van het slachtoffer bracht” waarmee het hof volgens de verdediging “een bewuste schuld oprekt naar voorwaardelijk opzet”.

Advies AG

De verdachte heeft zich beroepen op de omstandigheid dat degene van wie hij het wapen weken voor het schietincident kreeg, tegen hem zou hebben gezegd dat “het wapen op de veiligheidspal zat”. Hierin ligt volgens de AG de stelling besloten dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat ten minste de minimaal vereiste maatregelen waren genomen. Die stelling kan niet slagen.

De omstandigheid dat het wapen op de veiligheidspal stond toen de verdachte het ontving, betekent nog niet dat het wapen ook twee tot drie weken later nog in dezelfde staat verkeerde, zeker niet nu het wapen soms open en bloot op diverse plaatsen in de badkamer lag. In de badkamer kwamen naast de verdachte ook drie andere personen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geheel geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen.

Hieruit volgt dat de verdachte dus ook kort voorafgaand aan het gebruik van het wapen geen maatregelen heeft genomen. Hij heeft zelfs niet de moeite genomen om een blik op het wapen te werpen, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring. Desondanks heeft de verdachte het wapen bewust op het slachtoffer gericht en de trekker overgehaald, waarbij hij moet hebben begrepen dat als het wapen niet op de veiligheidspal stond zijn handelen dan in elk geval een dodelijk gevolg zou kunnen hebben. Hieruit blijkt volgens de AG een dusdanige onverschilligheid ten aanzien van het mogelijke gevolg dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte met zijn gedragingen (handelen en nalaten) de aanmerkelijke kans op het gevolg op de koop toe heeft genomen en dus heeft aanvaard dat dit gevolg zich mogelijk zou realiseren.

Ook de andere cassatieklachten op het punt van de door het hof bewezenverklaarde doodslag slagen volgens de AG niet. De schriftuur van de benadeelde partij moet volgens de AG onbesproken blijven omdat het cassatiemiddel niet aan de daarvoor geldende vereisten voldoet.

De AG adviseert de Hoge Raad de veroordeling in stand te laten. Datzelfde geldt voor de beslissing van het hof op de vorderingen van de benadeelde partij.

Uitspraak Hoge Raad

De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 19 mei 2026.

Een conclusie van de AG is een onafhankelijke rechtsgeleerde analyse en tevens een advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat al dan niet te volgen. De AG is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:PHR:2026:232