Veroordeling van Haagse oud-wethouder wegens schending geheimhoudingsplicht blijft in stand
De veroordeling van een Haagse oud-wethouder wegens schending van zijn geheimhoudingsplicht blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De zaak
De verdachte was in 2017 raadslid in de gemeenteraad van Den Haag. Hij trad op 7 juni 2018 toe tot het college van burgemeester en wethouders. Het OM heeft de verdachte en een medeverdachte (eveneens oud-wethouder) vervolgd voor onder meer het schenden van het ambtsgeheim. De rechtbank sprak de verdachte vrij maar het hof oordeelde in hoger beroep dat verdachte zijn geheimhoudingsverplichting als wethouder had geschonden door vertrouwelijke informatie te delen met een lid van zijn partij. Volgens het hof hield deze schending in dat de verdachte een ambtelijke e-mail had doorgestuurd aan een persoon die niet werkzaam was voor de gemeente, maar die fungeerde als een klankbord binnen de partij van de verdachte. Deze e-mail bevatte de weergave van de afspraken die de verdachte had gemaakt over de dekking van de extra kosten voor een in ontwikkeling zijnd onderwijs- en cultuurcomplex. Deze afspraken vormden de grondslag voor een raadsvoorstel dat op een later moment ter vaststelling werd voorgelegd aan het college van B&W.
De verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De andere wethouder deed dat niet; zijn veroordeling is onherroepelijk.
Cassatieklachten
De advocaten van de verdachte vroegen de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen. In cassatie is onder meer geklaagd over de bewezenverklaring van de schending van het ambtsgeheim.
Advies AG
De AG adviseerde de Hoge Raad op 4 november 2025 de veroordeling in stand te laten.
Oordeel Hoge Raad
De verdachte is vervolgd voor opzettelijke schending van het ambtsgeheim ( artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht). In de tenlastelegging en de bewezenverklaring komen de woorden ‘enig geheim’ voor. Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop hij of zij deze informatie aan een derde verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op een andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘geheim’ in de zin van de strafbepaling.
De opvatting van de verdediging dat van ‘enig geheim’ slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, zoals in dit geval de Gemeentewet in samenhang met de (oude) Wet openbaarheid van bestuur is volgens de Hoge Raad onjuist. Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de strafbepaling en bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Gemeentewet komt naar voren dat een geheimhoudingsverplichting ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep.
De Hoge Raad is dan ook van oordeel dat de cassatieklacht niet slaagt. Het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte door voorafgaand aan de besloten collegevergadering de ambtelijke e-mail door te sturen, ‘enig geheim’ heeft geschonden, waarvan de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Dit oordeel van het hof is ook toereikend gemotiveerd.
Ook de andere cassatieklachten slagen niet.
Met de uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling definitief.