Veroordeling voor doden 22-jarige man uit Assendelft blijft in stand; hof heef terecht vergoeding van affectieschade toegekend aan de zus van het slachtoffer

13 januari 2026

De veroordeling van een verdachte voor het doden van een 22-jarige man uit Assendelft in 2021 en het wegmaken van zijn lichaam blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld. In de ochtend van 12 maart 2021 is in een sloot in Amsterdam het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat hij was overleden aan de gevolgen van een inschotverwonding aan het hoofd. De bevindingen van de forensisch patholoog wezen uit dat sprake is geweest van een mondschot.

Op basis van de verklaringen van de verdachte staat volgens het hof vast dat de kogel waardoor het slachtoffer is overleden afkomstig was uit een vuurwapen dat de verdachte in zijn hand had. De verdachte heeft dit vuurwapen doorgeladen, zijn vinger op de trekker gelegd en van dichtbij gericht op het hoofd van het slachtoffer. Toen de loop van het vuurwapen zich in de mond van het slachtoffer bevond, werd een kogel afgevuurd.

Het hof veroordeelde de verdachte voor doodslag en het wegmaken van het lichaam van het slachtoffer en legde een gevangenisstraf van dertien jaar op en daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Verder heeft het hof aan de zus van het slachtoffer schadevergoeding toegekend, waaronder een bedrag van € 17.500 voor affectieschade. Affectieschade is schade die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste als gevolg van een strafbaar feit.

De verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte vroeg de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen. In cassatie is onder meer geklaagd over de vordering tot vergoeding van affectieschade van de zus van het slachtoffer. Volgens de verdediging heeft het hof haar ten onrechte ‘als naaste’ aangemerkt.

Advies advocaat-generaal (AG)

De AG adviseerde de Hoge Raad naast de veroordeling en de opgelegde maatregel ook de toegekende schadevergoeding in stand te laten.

Oordeel Hoge Raad

De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade is beperkt tot ‘naasten’, personen die een zeer nauwe band met het slachtoffer hebben. De wet benoemt de verschillende ‘naasten’. Broers of zussen van een overleden slachtoffer worden hierbij niet genoemd.

Tot de genoemde kring van personen behoort volgens de wet ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat redelijk en billijk is dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet als zodanig in de wet is genoemd. Om op grond van deze – als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Daarbij wordt gekeken naar de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. In dat verband is als voorbeeld onder meer naar voren gebracht dat in het geval dat twee broers of zussen langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen, zo’n nauwe persoonlijke betrekking kan bestaan.

Het hof heeft in deze zaak vastgesteld dat de zus en haar broer nog geen jaar verschilden in leeftijd. Ze hebben geen gemakkelijke jeugd gehad, hun ouders zijn in 2017 naar Suriname verhuisd en zij woonden vanaf dat moment bij hun oma. Vanaf die periode heeft de zus een deel van de taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar de steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan het overlijden van het slachtoffer in gezinsverband samen en waren van plan om – na het verhuizen van hun oma – samen te blijven wonen. Ook na het overlijden van haar broer heeft de zus een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte relatie die zij hadden.

Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de zus zo uitzonderlijk zijn dat zij zich kan beroepen op de hardheidsclausule. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd.

Ook de andere cassatieklachten slagen niet.

Met de uitspraak van de Hoge Raad zijn de veroordeling, de opgelegde maatregel en de toegekende schadevergoeding definitief. In verband met de duur van de procedure wordt de opgelegde gevangenisstraf twaalf jaar en zeven maanden.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:33