Hoge Raad: verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8% is onverbindend
De bij het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) per 1 januari 2022 naar 8% verhoogde belastingrente voor de vennootschapsbelasting is onverbindend omdat de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg hiervan moet die bepaling buiten toepassing blijven. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De zaak
Het belastingrentepercentage dat volgens het Bbi (een algemeen verbindend voorschrift) voor de vennootschapsbelasting geldt, is per 1 januari 2022 verhoogd naar het percentage van de wettelijke rente die in het burgerlijk recht geldt voor betalingsverplichtingen op grond van handelsovereenkomsten (de wettelijke handelsrente), met dien verstande dat het percentage ten minste 8 bedraagt. Voor andere belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, geldt volgens het Bbi een lager rentepercentage.
Aan de belastingplichtige in deze zaak, een besloten vennootschap, is in verband met een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting 8% belastingrente in rekening gebracht. De rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld dat de bepaling van het Bbi waarin deze verhoging van de belastingrente is geregeld, is vastgesteld in strijd met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft de desbetreffende bepaling daarom onverbindend verklaard.
Omdat de uitspraak van de rechtbank tot veel bezwaarschriften van andere belastingplichtigen leidde tegen aan hen in rekening gebrachte belastingrente, heeft de Staatssecretaris van Financiën tegen die uitspraak rechtstreeks cassatieberoep bij de Hoge Raad ingesteld (zogenoemde sprongcassatie; daarbij wordt hoger beroep overgeslagen). De Staatssecretaris heeft voor die bezwaren een aanwijzing massaal bezwaar afgegeven. Daardoor bepaalt de uitkomst van deze cassatieprocedure ook rechtstreeks de beslissingen op die bezwaren.
Amicus curiae
Sinds medio 2021 kunnen de hoogste bestuursrechters, waaronder de belastingkamer van de Hoge Raad, in concrete rechtszaken inbreng vragen van externe ‘meedenkers’ . Vanwege de gevolgen die zijn uitspraak kan hebben voor anderen dan de partijen in deze procedure heeft de Hoge Raad ook andere bedrijven en organisaties de gelegenheid gegeven hun zienswijzen in te brengen. Voor de belastingkamer van de Hoge Raad is deze zaak de eerste waarin deze zogenoemde amicus-procedure is gebruikt. In totaal zijn 149 reacties ontvangen. De reacties zijn in geanonimiseerde vorm gepubliceerd (pdf, 482 kB).
Conclusie advocaat-generaal (AG)
De AG adviseerde de Hoge Raad op 1 oktober 2025 om de verhoging naar 8% van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8% onverbindend te verklaren omdat, kort gezegd, volgens de AG de besluitgever met deze verhoging de aan hem gedelegeerde bevoegdheid tot regelgeving heeft overschreden.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de regel van het Bbi waarin de hoogte van het belastingrentepercentage is geregeld, binnen de ruimte blijft die de wetgever met de algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen aan de besluitgever heeft geboden. De besluitgever is dan ook binnen de aan hem gedelegeerde regelbevoegdheid gebleven. Verder biedt de delegatiebepaling geen grond om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel.
Ook stelt de Hoge Raad voorop dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het Bbi een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als een wet in formele zin en dat de belastingrechter daarom kan en mag toetsen of een bepaling uit het Bbi in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering geldt het volgende, aldus de Hoge Raad. Indien het gaat om een fiscaal voorschrift dat een lastenverzwaring inhoudt, moet de belastingrechter bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats onderzoeken of de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. In dit geval moet worden aangenomen dat de belangen van de betrokken vennootschapsbelastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. Bij de totstandkoming van de regeling in het Bbi is namelijk opgemerkt dat het kabinet begrip heeft voor het feit dat de verhoging van de rentepercentages door betrokken belastingplichtigen veelal als lastenverzwaring zal worden beleefd en dat het dan ook goed begrijpt dat het voorstel niet door iedereen als wenselijk wordt ervaren. Niettemin is het kabinet van mening dat verhoging van het belastingrentepercentage gerechtvaardigd is. De rechtbank is dan ook terecht ervan uitgegaan dat de verhoging van de belastingrente zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
Evenredigheidsbeginsel
De rechtbank heeft het hogere belastingrentepercentage daarom terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt als criterium gehanteerd dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen. Indien bij de totstandkoming van een regeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt, zoals bij de regeling van het verhoogde belastingrentepercentage, moet die toetsing inhoudelijk terughoudend zijn, aldus de Hoge Raad.
Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met de verhoging van het belastingrentepercentage een budgettair doel wordt gediend. De Hoge Raad heeft niet een ander doel daarvoor kunnen identificeren dat gewicht in de schaal kan leggen bij de beoordeling van de evenredigheid van dat hogere percentage specifiek voor de vennootschapsbelasting.
Een lastenverzwaring die geheel of overwegend op budgettaire motieven berust, komt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als die hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Die groep wordt dan onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel. In dit geval moet daarom – met de nodige terughoudendheid – worden onderzocht of de besluitgever zonder goede grond de belastingrente alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting heeft verhoogd tot 8%. Hierbij geldt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente moeten worden beschouwd als gelijke gevallen.
De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor alleen de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen. Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden, aldus de Hoge Raad. Met de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Daarom is de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel.
Slotsom
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. De bepaling van het Bbi waarin de verhoging is geregeld, is onverbindend en moet als gevolg daarvan buiten toepassing blijven. Voor dat geval is tussen de belanghebbende en de Staatssecretaris niet in geschil dat de belastingrente in dit geval moet worden berekend op basis van een percentage van 4.
Andere gevallen
Met het oog op de vele procedures waarin het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting eveneens ter discussie staat, heeft de Hoge Raad nog het volgende overwogen.
Voor andere gevallen heeft de onverbindendheid van de hier bedoelde bijzondere regel van het Bbi tot gevolg dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van de belastingrente moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van het Bbi naar het percentage dat ook geldt voor andere belastingen. Dat percentage is in beginsel gelijk aan de wettelijke rente die in het burgerlijk recht geldt voor betalingsverplichtingen op grond van andere dan handelsovereenkomsten (de normale wettelijke rente), met dien verstande dat het percentage ten minste 4 bedraagt. In de onderhavige jaren was dat percentage (ook) 4. Met deze vorm van rechtsherstel wordt een resultaat bereikt waarbij geen sprake is van een ongefundeerde selectieve lastenverzwaring. Dit belastingrentepercentage leidt in de jaren 2022 en 2023 ook niet tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in het Bbi daarvoor in de plaats getreden percentage van ten minste 4,5.