Advies AG aan Hoge Raad: ontoelaatbaar verklaard deel van uitleveringsverzoek moordverdachte VS kan toelaatbaar worden geoordeeld
Een ontoelaatbaar verklaard deel van een verzoek tot uitlevering van een vrouw (hierna: de opgeëiste persoon) die ervan wordt verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op haar ex-partner in de Verenigde Staten (VS), kan toelaatbaar worden geoordeeld. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Sinnige de Hoge Raad in haar conclusie van vandaag. De rechtbank oordeelde dat de uitlevering toelaatbaar was voor twee strafbare feiten maar ontoelaatbaar voor een derde feit. Tegen dit laatste kwam het Openbaar Ministerie (OM) op en volgens de AG slaagt die cassatieklacht. Ook de opgeëiste persoon diende in cassatie klachten in, maar die klachten falen volgens de AG.
De zaak
De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op haar ex-vriend. Haar moeder en een kennis zijn medeverdachten. De opgeëiste persoon zou de kennis hebben aangezet tot de moord, die op 18 augustus 2021 in South Carolina in de VS plaatsvond. Na de moord zou de opgeëiste persoon in verhoren meerdere keren hebben gelogen en informatie hebben achtergehouden. Op 8 maart 2025 is de opgeëiste persoon met haar dochter naar Nederland vertrokken. Op 2 juni 2025 hebben de autoriteiten van de VS Nederland verzocht om haar uitlevering zodat zij haar strafrechtelijk kunnen vervolgen in de VS. De uitlevering is verzocht voor drie feiten, namelijk (1) ‘accessory before the fact of murder’ en (2) ‘conspiracy to commit murder’, naar Nederlands recht te zien als vormen van deelneming aan moord en (3) ‘accessory after the fact of murder’, het verlenen van hulp aan een dader na het misdrijf.
De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor de feiten 1 en 2 en ontoelaatbaar voor feit 3. Zowel de opgeëiste persoon als het OM stelde tegen de uitspraak van de rechtbank cassatieberoep in bij de Hoge Raad. In uitleveringszaken kan tegen uitspraken van de rechtbank rechtstreeks cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Cassatieklachten
De cassatieklachten van de opgeëiste persoon houden verband met de onzekerheid over de strafbare feiten die aan de opgeëiste persoon zullen worden ten laste gelegd in de VS, de mogelijkheid dat in de strafzaak de doodstraf zal worden gevorderd en opgelegd en de in dat kader door de Amerikaanse autoriteiten gegeven garanties. De cassatieklacht van het OM ziet op het ontoelaatbaar verklaarde deel van de uitlevering.
Advies AG
In haar conclusie gaat de AG eerst in op de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister). De uitleveringsrechter beoordeelt of aan bepaalde juridische voorwaarden voor uitlevering uit het toepasselijke verdrag en de Uitleveringswet is voldaan en – als de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard - adviseert de minister over de gevolgen die aan het uitleveringsverzoek moeten worden gegeven. De minister is degene die uiteindelijk beslist of een verzoek tot uitlevering wordt ingewilligd en kan dat verzoek weigeren op grond van bepaalde weigeringsgronden die behoren tot het exclusieve domein van de minister.
De AG is van opvatting dat de cassatieklachten van de opgeëiste persoon niet slagen. Uit de Uitleveringswet volgt dat het aan de minister en niet de rechter is om te beoordelen of in deze zaak voldoende waarborgen bestaan dat de doodstraf niet zal worden opgelegd of ten uitvoer gelegd. De rechtbank heeft weliswaar vastgesteld dat de Amerikaanse autoriteiten de garantie hebben gegeven dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd of, indien om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, de doodstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, maar in cassatie kan dus niet worden geklaagd dat dit een onvoldoende waarborg is. Ook een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel, dat vereist dat vaststaat voor welke feiten kan en mag worden uitgeleverd, staat ter beoordeling van de minister en niet van de rechter. Het is aan de minister om op dit punt eventueel extra garanties te verzoeken. Dit is slechts anders als blijkt dat de opgeëiste persoon door de uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een dreigende flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces en na de uitlevering voor hem of haar met betrekking tot die inbreuk niet een rechtsmiddel openstaat. Dat daarvan sprake is, is niet aangevoerd of gebleken.
De cassatieklacht van het OM slaagt volgens de AG wel. De rechtbank heeft overwogen dat feit 3, ‘accessory after the fact of murder’, naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als hulp aan een dader na een misdrijf en dat voor dit feit een straf van ten hoogste zes maanden gevangenisstraf kan worden opgelegd. Volgens de rechtbank is daarmee niet voldaan aan de eis uit het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten dat alleen wordt uitgeleverd voor een feit waarop een vrijheidsstraf staat van meer dan één jaar. Volgens de AG miskent de rechtbank met dit oordeel dat uitlevering op grond van het Uitleveringsverdrag in deze zaak wél mogelijk is. Op grond van het Uitleveringsverdrag kan worden uitgeleverd voor een feit dat op zichzelf niet aan het strafminimum van één jaar voldoet, als tegelijkertijd wordt uitgeleverd voor een of meer andere feiten waarvoor uitlevering wel is toegestaan. Aangezien daarvan in deze zaak sprake is, kan ook de uitlevering voor ‘accessory after the fact of murder’ toelaatbaar worden verklaard. Volgens de AG kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen en de verzochte uitlevering ook ten aanzien van dit feit toelaatbaar verklaren.
Uitspraak Hoge Raad
De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 17 maart 2026.
Een conclusie van de AG is een onafhankelijke rechtsgeleerde analyse en tevens een advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat al dan niet te volgen. De AG is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.