Veroordeling voor doodslag op partner in Arnhem kan in stand blijven

21 april 2026

De veroordeling van een verdachte voor onder meer doodslag op zijn partner op 7 juli 2020 in Arnhem blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

Op 7 juli 2020 is de partner van de verdachte overleden aan haar verwondingen als gevolg van een schot dat door de verdachte met een vuurwapen is afgevuurd. De verdachte en het slachtoffer bevonden zich op dat moment in de slaapkamer van hun woning. De rode lijn in de verklaringen van de verdachte over het schietincident is dat de dood van de vrouw een ongeluk was. Volgens zijn verklaring zouden hij en het slachtoffer vlak voor het fatale moment hebben gegrapt over het wapen dat hij in de badkamer bewaarde. Hij heeft ook verklaard dat hij het wapen pakte, omdat hij het slachtoffer voor de grap wilde laten schrikken, dat hij dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond maar dat het wapen toen per ongeluk afging.

De rechtbank veroordeelde de verdachte voor dood door schuld. In hoger beroep achtte het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van zijn partner en veroordeelde de verdachte voor doodslag. Het hof legde een gevangenisstraf op van acht jaar.

Tegen deze uitspraak stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte vroeg de Hoge Raad de veroordeling te vernietigen. In cassatie is geklaagd dat de bewezenverklaring van het voor doodslag vereiste opzet juridisch niet juist is. Zo zou het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had omdat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het teweegbrengen van dodelijk letsel juridisch onjuist en onbegrijpelijk zijn, gelet op de vaststelling door het hof dat de verdachte “dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond”. Het hof zou de verdachte in de kern hebben verweten dat hij “zich er niet van heeft vergewist of het wapen daadwerkelijk in de veiligheidsstand stond, toen hij dit wapen in de richting van het slachtoffer bracht” waarmee het hof volgens de verdediging “een bewuste schuld oprekt naar voorwaardelijk opzet”.

Advies AG

De AG adviseerde de Hoge Raad op 10 maart 2026 de veroordeling in stand te laten.

Oordeel Hoge Raad

Het hof heeft in deze zaak vastgesteld dat de verdachte wist dat het vuurwapen een echt wapen was dat werkte en dat geladen was met scherpe patronen. Verder was het wapen schietklaar en heeft de verdachte volgens het hof, nadat hij met gestrekte arm het wapen had gericht op het slachtoffer, de trekker overgehaald. Het hof heeft geoordeeld dat het samenstel van de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het fatale gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard, en dat de verdachte daarom handelde met het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Ook als dat overhalen van de trekker gebeurde in het kader van een grap en de verdachte eerder had gehoord (en er daarom ‘van uitging’) dat het wapen op een ‘veiligheidspal’ stond.

Dit oordeel is volgens de Hoge Raad – gelet op het toetsingskader uit zijn arrest van 25 maart 2003– juridisch juist en ook niet onbegrijpelijk. Daarbij vindt de Hoge Raad van belang dat in de overwegingen van het hof als oordeel besloten ligt dat de verdachte wist dat het ging om een gevaarlijk voorwerp in de vorm van een geladen vuurwapen, dat hij – door niet na te gaan of het wapen op de veiligheidspal stond en ook geen andere ‘veiligheidschecks’ uit te voeren – ook wist dat niet was uitgesloten dat het wapen zou kunnen afgaan. Hij heeft daarmee de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat hij, door richtend op de het slachtoffer de trekker over te halen, het slachtoffer dodelijk zou raken. De cassatieklacht slaagt dan ook niet. Dit geldt ook voor de andere cassatieklachten.

Met de uitspraak van de Hoge Raad blijft de veroordeling voor doodslag in stand. In verband met de duur van de procedure wordt de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot zeven jaar en elf maanden.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:689