Hoge Raad: belastingrente van 4% voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting is niet onevenredig

10 april 2026

Bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak mag echter niet worden vooruitgelopen op een dan nog niet in werking getreden renteverhoging

De belastingrente van minimaal 4% voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting is niet onevenredig. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. De cassatieklacht op dit punt slaagt niet. Wel slaagt een andere cassatieklacht; de Hoge Raad is namelijk van oordeel dat bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak niet mag worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden besluit tot renteverhoging.

De zaak

In deze zaak procedeert een belanghebbende tegen een navorderingsaanslag premies Zorgverzekeringswet. Daarbij is aan hem bij beschikking van 26 september 2020 belastingrente in rekening gebracht. Over de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 2020 is deze belastingrente op grond van de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) berekend naar het percentage van 4. Dat was in die periode het minimumpercentage voor andere belastingen dan vennootschapsbelasting. Over de periode 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020 is de belastingrente berekend naar het percentage van 0,01 dat in die periode wettelijk gold in verband met de coronacrisis. Over de periode 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020 is de belastingrente opnieuw berekend naar het percentage van 4, gebaseerd op het vanaf 1 oktober 2020 geldende Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: het Besluit). De wijziging van het Besluit waardoor de belastingrente werd verhoogd naar 4%, is in werking getreden op 1 oktober 2020.

Belanghebbende heeft (hoger) beroep ingesteld tegen onder meer de hoogte van dit belastingrentepercentage. In de procedure voor het hof heeft hij betoogd dat de hoogte van dit percentage zijn eigendomsrecht aantast dat beschermd wordt door artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: het Eerste Protocol). Ook heeft belanghebbende betoogd dat het sinds 1 oktober 2020 in het Besluit neergelegde minimumpercentage van 4 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het hof heeft deze betogen verworpen.

Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat een juridische basis ontbreekt voor de berekening van het rentepercentage van 4 over de periode 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beschikking over de belastingrente is gegeven op 26 september 2020, dus voordat de verhoging van het percentage van 0,01 naar 4 op 1 oktober 2020 in werking was getreden. Het hof heeft ook dit betoog verworpen.
Belanghebbende was het niet eens met de uitspraak van het hof en stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Oordeel Hoge Raad

De belastingrente in deze zaak is onder meer berekend over de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2020. In die periode was in de AWR de belastingrente vastgesteld op ten minste 4%. Dit percentage acht de Hoge Raad, op de gronden vermeld in de rechtsoverwegingen 4.11.5 en 4.11.6 van zijn uitspraak over de belastingrente in de vennootschapsbelasting, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De cassatieklacht op dit punt slaagt niet.
De cassatieklacht over het belastingrentepercentage dat is gehanteerd in de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 slaagt wel. Bij de beoordeling van die klacht stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

Heffing van belasting en berekening van belastingrente zijn in beginsel niet toegestaan in het geval de regeling waarop die heffing of die berekening berust nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop die heffing plaatsvindt of die rente in rekening wordt gebracht. Op dat moment bestaat daarvoor namelijk nog geen juridische grondslag. Dit beginsel, een uitvloeisel van het in artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 104 van de Grondwet geregelde legaliteitsbeginsel, geldt onder meer bij de invoering van een regeling die voorziet in een nieuwe mogelijkheid tot belastingheffing of tot berekening van belastingrente. Het geldt ook bij uitbreiding van bestaande mogelijkheden tot belastingheffing of berekening van belastingrente, bijvoorbeeld door een verhoging van het toepasselijke tarief of het toepasselijke rentepercentage. Het legaliteitsbeginsel brengt in dat geval mee dat de inspecteur op een tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van die nieuwe regeling geen hoger bedrag in rekening mag brengen dan voortvloeit uit de op dat tijdstip geldende regeling.

In deze zaak rees de vraag of de Inspecteur bij de rentebeschikking van 26 september 2020 de belastingrente over de periode 1 oktober tot en met 20 oktober 2020 mocht vaststellen op 4%. Op 26 september 2020 gold nog een rentepercentage van 0,01. Pas bij de op 1 oktober 2020 in werking getreden wijziging van het Besluit is de belastingrente verhoogd naar 4. Voorafgaand aan 1 oktober 2020 ontbrak volgens de Hoge Raad een juridische grondslag voor de inspecteur om bij beschikking belastingrente in rekening te brengen op basis van dit nieuwe percentage. Op grond van het legaliteitsbeginsel had hij dus vóór die datum niet de bevoegdheid de renteverhoging toe te passen in de aan belanghebbende gegeven beschikking. Daaraan doet niet af dat die beschikking betrekking heeft op belastingrente over een tijdvak waarin het nieuwe verhoogde percentage in werking zal zijn getreden.

De Hoge Raad is verder van oordeel dat, anders dan het hof heeft aangenomen, er geen aanleiding is om in dit geval een uitzondering te maken op de grond dat ten tijde van het vaststellen van de beschikking al kenbaar was dat per 1 oktober 2020 een gewijzigd, hoger rentepercentage zou gaan gelden. Ook de door het hof genoemde omstandigheid dat de eerder in 2020 ingevoerde verlaging van het rentepercentage als tijdelijke maatregel was bedoeld, geeft daartoe geen aanleiding.

Over de periode 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020 moet dan ook het rentepercentage van 0,01 worden toegepast in plaats van het rentepercentage van 4.

De slotsom is dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen. De aan belanghebbende in rekening gebrachte belastingrente wordt verminderd.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:591