Hoge Raad geeft antwoord op prejudiciële vragen over bpm voor geïmporteerde auto’s en de overgang van NEDC- naar WLTP-meetmethode voor vaststelling CO2-uitstoot

26 april 2024

Voor vaststelling CO2-uitstoot gelden auto’s als gelijksoortig wanneer zij van hetzelfde merk en model zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen

De Hoge Raad heeft vandaag zogenoemde prejudiciële vragen beantwoord van de Rechtbank Zeeland-West Brabant over de heffing van bpm (belasting van personenauto’s en motorrijwielen) voor in Nederland geïmporteerde personenauto’s die in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 in een andere EU-lidstaat voor het eerst zijn toegelaten tot het verkeer op de weg. In die periode golden in Nederland twee, elkaar uitsluitende, methoden om de CO2-uitstoot van een auto vast te stellen, die de hoogte van de verschuldigde bpm bepaalt. De Nederlandse wetgeving voorzag toen niet in de waarborg dat voor gelijksoortige personenauto’s, dat wil zeggen auto’s van hetzelfde merk en model die vallen onder dezelfde EU-typegoedkeuring, steeds een gelijke bpm-heffing gold. Daardoor kan die wet, in het geval een (in Nederland geïmporteerde) buitenlandse auto zwaarder wordt belast dan een gelijksoortige binnenlandse auto, discriminerend uitwerken. Wanneer de belastingplichtige stelt dat dit zo is, en aannemelijk maakt dat de geïmporteerde personenauto in een andere lidstaat in de hiervoor vermelde periode voor het eerst op de weg is toegelaten tot het verkeer op de weg, en in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd, mag de bpm voor de buitenlandse personenauto worden berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is.

Prejudiciële procedure

Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter over een rechtsregel waarover de Hoge Raad niet eerder heeft geoordeeld. Het moet gaan om een vraag die zich voordoet in een concrete zaak die bij een rechtbank of gerechtshof in behandeling is en die van belang is voor de beslissing in een groot aantal andere zaken. De antwoorden kunnen de rechter houvast geven bij toekomstige beslissingen in concrete zaken.

Het wettelijke kader

De prejudiciële vragen gaan vooral in op de methoden om de CO2-uitstoot van personenauto’s vast te stellen. De CO2-uitstoot bepaalt namelijk het bedrag van de te betalen bpm. Dat bedrag is hoger naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Voor elke personenauto, nieuw of gebruikt, moet dus worden vastgesteld hoeveel CO2 deze uitstoot. Deze ‘heffing naar uitstoot’ geldt voor alle personenauto’s die in Nederland tot de weg worden of zijn toegelaten, dus niet alleen voor binnenlandse, al geregistreerde auto’s maar ook voor uit andere lidstaten afkomstige, nog in het Nederlandse kentekenregister te registreren auto’s (buitenlandse auto’s).

Voor de heffing van bpm wordt aangesloten bij de CO2-uitstoot die is vermeld op de door de fabrikant voor elk merk en model personenauto verkregen ‘EU-typegoedkeuring’, die nodig is om nieuw geproduceerde auto’s op de Europese handelsmarkt te mogen brengen. Tot 1 september 2017 werd die CO2-uitstoot gemeten met de NEDC-meetmethode; vanaf die datum geldt in beginsel de WLTP-meetmethode.

De overgang naar deze nieuwe meetmethode ging tot 1 september 2019 gepaard met overgangsregelingen voor bestaande modellen personenauto’s met een EU-typegoedkeuring van vóór 1 september 2017. Voor deze auto’s bleef de daarop vermelde CO2-uitstoot, dus gemeten met de NEDC-meetmethode, geldig tot 1 september 2018 en onder bepaalde voorwaarden, met toepassing van de zogenoemde restantvoorraadregeling, nog tot 1 september 2019.

Voor de heffing van bpm was gedurende de overgangsperiode in de wet een transitieregeling opgenomen die voorzag in twee, elkaar uitsluitende methoden om de CO2-uitstoot van personenauto’s vast te stellen: de NEDC-meetmethode en een methode die de CO2-uitstoot gemeten met de WLTP-meetmethode terugrekent naar een waarde die de CO2-uitstoot volgens de NEDC-meetmethode moet benaderen (de WLTP/NEDC-methode). Die laatste methode moet worden gehanteerd als de CO2-uitstoot vermeld op de EU-typegoedkeuring niet is gemeten met de NEDC-meetmethode.

De zaak

De belanghebbende in deze zaak heeft vanuit een andere EU-lidstaat drie gebruikte personenauto’s van hetzelfde merk en model geïmporteerd in Nederland. Zij zijn in de andere lidstaat voor het eerst toegelaten tot het verkeer op de weg in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019.
De belanghebbende wil de auto’s laten registreren in het Nederlandse kentekenregister. Omdat de CO2-uitstoot van de drie auto’s niet is gemeten met de NEDC-meetmethode, is hun uitstoot voor de heffing van bpm vastgesteld met de WLTP/NEDC-methode. De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij door het gebruik van deze methode meer bpm is verschuldigd dan het restbedrag aan bpm dat nog is begrepen in de waarde van gelijksoortige, al in Nederland geregistreerde, gebruikte personenauto’s waarvan de CO2-uitstoot was vastgesteld met de NEDC-meetmethode. Dat is volgens de belanghebbende in strijd met artikel 110 VWEU.

Rechtbankprocedure

De Rechtbank stelde bij tussenuitspraak drie prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in verband met die door belanghebbende gestelde schending van artikel 110 VWEU. Dat artikel verbiedt de lidstaten om van goederen (in dit geval: personenauto’s) die uit andere lidstaten afkomstig zijn méér belasting te heffen dan drukt op gelijksoortige binnenlandse goederen .

De vragen van de Rechtbank komen er kort gezegd op neer of 1) personenauto’s van hetzelfde merk en hetzelfde model, waarvan de CO2-uitstoot volgens verschillende methoden is vastgesteld, als gelijksoortige personenauto’s moeten worden beschouwd in de zin van artikel 110 VWEU en, zo ja, 2) of het gebruik van die verschillende methoden op zichzelf beschouwd in strijd is met dat artikel en, indien dit niet het geval is, 3) hoe die gelijksoortigheid dan kan worden getoetst en aannemelijk gemaakt.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad beantwoordt de vragen van de Rechtbank als volgt.

Prejudiciële vraag 1

Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de heffingsmaatstaf voor de bpm zoals die in de wettelijke transitieregeling is neergelegd, sluit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad niet uit dat personenauto’s waarvan de verschillen in CO2-uitstoot worden verklaard door het gebruik van verschillende methoden van vaststelling ervan, als gelijksoortig worden beschouwd.

Prejudiciële vraag 2

De omstandigheid dat de CO2-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de wettelijke transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, leidt alleen dan niet tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is.

Prejudiciële vraag 3

Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de heffingsmaatstaf voor de bpm zoals die in de wettelijke transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen, dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op bepaalde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.

De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.

Hoe verder

De Rechtbank zal de zaak nu voortzetten en in haar uitspraak rekening houden met de antwoorden van de Hoge Raad. Ook andere rechters die in vergelijkbare zaken moeten beslissen zullen de antwoorden van de Hoge Raad daarbij betrekken.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2024:653