Advies AG aan Hoge Raad: veroordelingen door Nederlandse rechter voor eenzelfde feit als waarvoor in Turkije is veroordeeld kunnen in stand blijven

8 maart 2022

De veroordelingen door het Haagse gerechtshof van twee verdachten voor een feit waarvoor ze in Turkije al waren veroordeeld en in voorlopige hechtenis hebben gezeten, kunnen in stand blijven. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Paridaens de Hoge Raad in haar conclusies van vandaag. Beide verdachten zijn onder meer veroordeeld wegens deelname aan een organisatie die erop is gericht terroristische misdrijven te plegen.

De zaken

De verdachten met mede de Nederlandse nationaliteit zijn beiden in 2014 naar Syrië uitgereisd. Daar hebben ze zich als strijder aangesloten bij een verboden jihadistische organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

De verdachten zijn op 2 november 2016 in Turkije aangehouden en door de Turkse autoriteiten gedetineerd. Een Nederlands uitleveringsverzoek is door de Turkse autoriteiten afgewezen omdat zij zelf een vervolging tegen de verdachten hadden ingesteld. In mei 2018 zijn de verdachten door de rechtbank te Kilis (Turkije) veroordeeld wegens het zich schuldig maken aan het strafbare feit van lidmaatschap van de gewapende terroristische organisatie IS, met opzet gepleegd. Hoewel de verdachten ieder een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en drie maanden opgelegd kregen, heeft de Turkse rechtbank ook beslist dat de verdachten werden vrijgelaten. De verdachten zijn op de dag van de uitspraak vrijgelaten en op 3 juli 2018 bij aankomst op Schiphol aangehouden en vervolgens in Nederland vervolgd. Het Turkse vonnis is op 24 december 2019 onherroepelijk geworden. Op 26 januari 2021 veroordeelde het gerechtshof Den Haag beide verdachten tot respectievelijk zeven jaar en vierenhalf jaar gevangenisstraf. Tegen deze uitspraken werd beroep in cassatie ingesteld.

Cassatie(klachten)

In cassatie staat hetgeen het hof bewezen heeft verklaard niet ter discussie, maar draait het vooral om de vraag of het hof terecht en voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachten in Nederland opnieuw konden worden vervolgd en veroordeeld voor een feit waarvoor zij in Turkije al waren veroordeeld en gedetineerd waren geweest. Daarbij gaat het om de deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Dat in zoverre in beide zaken sprake is van hetzelfde feit in het Turkse vonnis en in de uitspraak van het hof, staat in cassatie ook niet ter discussie.

Advies AG

Door de advocaten van de verdachten wordt tevergeefs een beroep gedaan op het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging. Het hof heeft geoordeeld dat dit verdrag niet tot overdracht van strafvervolging verplicht en de AG vindt dit oordeel juridisch juist. Bovendien heeft het hof vastgesteld dat niet is gebleken dat de strafvervolging op basis van dit verdrag aan Nederland is overgedragen. Dit oordeel acht de AG voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Ook een beroep op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) slaagt niet. Daaruit zou volgen dat het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de beginselen van een behoorlijke procesorde zich verzetten tegen (voortzetting van) de in Nederland gevoerde procedure nadat het Turkse vonnis onherroepelijk is geworden. De AG wijst er niet alleen op dat Nederland geen partij is bij dit Zevende Protocol, maar ook dat de betreffende bepaling betrekking heeft op een eerdere onherroepelijke vrijspraak of veroordeling binnen dezelfde staat (‘the same State’). Voor het Protocol is de eerdere veroordeling van de verdachte in Turkije dus niet relevant. Ook is er geen strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde.

Tot slot hebben de advocaten van de verdachten aangevoerd dat het hof bij de strafoplegging onderzoek had moeten doen naar de regeling voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) in Turkije om te voorkomen dat hun strafrechtelijke positie zou worden verzwaard. Volgens de AG was een dergelijk onderzoek niet vereist omdat het niet gaat om de overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis. Het hof werd bij de oplegging van de straf dan ook niet beperkt door een in Turkije geldende VI-regeling. Wel heeft het hof terecht bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf de reeds in het buitenland ondergane detentie voor hetzelfde feit in mindering gebracht.

De AG is dan ook van mening dat de veroordelingen door het Nederlandse gerechtshof in stand kunnen blijven.

Uitspraak Hoge Raad

De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 19 april 2022.

De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat advies al dan niet te volgen. De advocaat-generaal maakt deel uit van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:PHR:2022:222

ECLI:NL:PHR:2022:223