Hoge Raad: oordeel Hof dat Beverwijkse Bazaar geen ‘vermakelijkheid’ is voor de vermakelijkhedenretributie blijft in stand

24 december 2021

Het oordeel van het gerechtshof Amsterdam dat de Beverwijkse Bazaar geen ‘vermakelijkheid’ is en daarom geen vermakelijkhedenretributie hoeft te betalen, blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

Vermakelijkhedenretributie is een heffing die gemeenten kunnen opleggen voor het geven van vermakelijkheden – op amusement gerichte activiteiten – waarbij gemeentelijke voorzieningen worden gebruikt of waarvoor de gemeente voorzieningen treft. De gemeente Beverwijk heft deze retributie van de Beverwijkse Bazaar. De bazaar is verhuurder en beheerder van winkel- en horecaruimten in een grotendeels overdekt winkelcentrum in Beverwijk (de Beverwijkse Bazaar), dat in de weekends is opengesteld voor publiek. De heffingsambtenaar vindt dat het bij het geven van vermakelijkheden niet alleen gaat om het verschaffen van vermaak maar ook om activiteiten waarbij het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak, zoekt of ondergaat.

Oordeel Hof

Volgens het Hof is het bieden van gelegenheid om te winkelen en voedsel te nuttigen op zichzelf niet ‘het geven van vermakelijkheden’. De heffingsambtenaar heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de bazaar zodanige activiteiten organiseerde dat de Beverwijkse Bazaar op basis daarvan een vermakelijkheid zou zijn. Ook als de door de huurders in de Beverwijkse Bazaar georganiseerde activiteiten, zoals ponyrijden, trampolinespringen en bepaalde kermisattracties aan de bazaar zouden worden toegerekend, wordt dat niet anders. Deze op het vermaak van kinderen gerichte activiteiten zijn beperkt in omvang en vinden op een relatief beperkte oppervlakte van het terrein plaats. De Beverwijkse Bazaar als geheel wordt daardoor nog geen vermakelijkheid.

De gemeente Beverwijk stelde tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklacht

Volgens de gemeente legt het Hof het begrip ‘vermakelijkheid’ te beperkt uit: er is, zo vindt de gemeente, – kort gezegd – ook een ‘vermakelijkheid’ als het publiek naar de Beverwijkse Bazaar komt voor amusement.

Uitspraak Hoge Raad

Deze cassatieklacht van de gemeente slaagt niet. De Hoge Raad is van oordeel dat de vraag of een activiteit in een inrichting (zoals de Beverwijkse Bazaar) moet worden aangemerkt als een vermakelijkheid, moet worden beoordeeld aan de hand van de wezenlijke kenmerken van die activiteit en die inrichting. Een activiteit is geen vermakelijkheid uitsluitend omdat de consument bij die activiteit amusement zoekt. Het Hof is niet uitgegaan van een andere, te beperkte, uitleg van het begrip ‘vermakelijkheid’. En verder heeft het Hof zijn oordeel dat de Beverwijkse Bazaar geen ‘vermakelijkheid’ is, voldoende gemotiveerd. Daarom blijft de beslissing van het Hof in stand.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2021:1846
ECLI:NL:HR:2021:1961