Veroordeling wegens pogingen tot seksuele verleiding minderjarigen definitief

21 april 2020

De veroordeling van een man, tevens voormalig lid van het Europees Parlement, wegens 3 pogingen tot seksuele verleiding van minderjarige meisjes blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

De verdachte was bevriend met een van zijn medewerksters. Hij had daardoor een goede band met haar minderjarige dochters. Deze dochters verrichtten tegen betaling huishoudelijke werkzaamheden bij hem. Twee andere meisjes waren vriendinnen van een van de dochters. De pogingen tot seksuele verleiding van de minderjarige meisjes vonden plaats door middel van chat- en whatsappberichten en het geven van sommen geld en andere giften. Ook heeft de verdachte de meisjes cocaïne aangeboden. Hij zou gebruik hebben gemaakt van het leeftijdsverschil, zijn positie en status als Europarlementariër en zijn riante inkomen. Het gerechtshof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en 240 uur werkstraf. De verdachte stelde beroep in cassatie in.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte vraagt de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen. Een aantal ingediende cassatieklachten gaat over de onderbouwing van de bewezenverklaring. Daarbij is onder meer aangevoerd dat het gerechtshof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een getuigenverklaring voor het bewijs is gebruikt die volgens de verdediging van de verdachte onbetrouwbaar is.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is van oordeel dat deze cassatieklachten niet slagen en heeft de klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat deze ongegrond zijn en geen juridisch belangrijke nieuwe vragen oproepen.

Met de uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling definitief.

Uitspraak op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2020:716