Veroordelingen verdachten Nijmeegse scooterzaak blijven in stand

20 februari 2018

De veroordelingen van de twee verdachten in de zogenoemde ‘Nijmeegse scooterzaak’ wegens het medeplegen van dood door schuld in het verkeer blijven in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag bepaald.

De twee verdachten bereidden in januari 2010 een overval voor op het Belvoir Hotel te Nijmegen. Toen zij de politie bemerkten, sloegen zij op de vlucht op een scooter, reden onder meer met hoge snelheid door rood licht en reden daarbij een voetganger aan die daardoor kwam te overlijden.

Omdat beide verdachten elkaar aanwijzen als de bestuurder van de scooter en ander bewijs daarover ontbreekt, blijft onduidelijk wie de bestuurder en wie de bijrijder is geweest. In 2012 sprak het gerechtshof Arnhem beide verdachten daarom vrij van het (mede)plegen van de dodelijke aanrijding. Het Openbaar Ministerie ging tegen die vrijspraken in cassatie. De Hoge Raad achtte de cassatieberoepen gegrond en verwees de zaken op 17 december 2013 naar het gerechtshof Den Bosch. Dat hof veroordeelde de beide mannen wegens het medeplegen van dood door schuld in het verkeer. Beide verdachten hebben tegen hun veroordeling cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft in één zaak het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat de aangevoerde cassatiemiddelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

In de andere zaak is in cassatie geklaagd over het bewijs van medeplegen van de dodelijke aanrijding door de bijrijder. Het hof oordeelde dat uit het bewijs blijkt dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt met het oog op de voorgenomen overval. In het voorbereiden van een overval lag besloten dat men niet gepakt wilde worden en bij een eventuele betrapping op de vlucht zou slaan. Dit hebben de verdachten ook daadwerkelijk gedaan. Door de vlucht met de scooter en het daarmee samenhangende gevaarlijke rijgedrag is sprake van medeplegen van de dodelijke aanrijding. Volgens de Hoge Raad staat aan dit oordeel van het hof niets in de weg.

Beide veroordelingen zijn hiermee definitief geworden. De opgelegde straffen zijn drie jaar en tien maanden, respectievelijk drie jaar en negen maanden.

Zie ook bekende rechtszaken.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2018:240
ECLI:NL:HR:2018:241