Afbouw algemene heffingskorting minstverdienende partner niet in strijd met mensenrechten

13 april 2018

De afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner is geen ongerechtvaardigde inmenging in het privé-, familie- en gezinsleven. De afbouw komt ook niet in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De Wet op de inkomstenbelasting 2001 biedt een mogelijkheid om, kort gezegd, de algemene heffingskorting van de minstverdienende partner uit te laten betalen. Deze mogelijkheid is in de loop der jaren versoberd. Sinds 2008 wordt zij gedurende vijftien jaar met 6 2/3 procentpunt per jaar afgebouwd. Met ingang van 2023 komt deze mogelijkheid daardoor geheel te vervallen. De afbouw is bedoeld om arbeidsdeelname te bevorderen, werken lonender te maken, de afhankelijkheid van de minstverdienende partner te verkleinen en ook de AOW houdbaarder te maken.

Belanghebbenden zijn een echtpaar. De echtgenote had in 2013 geen inkomsten uit werk. Haar echtgenoot had dat wel. Als gevolg van de afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner was de aan de echtgenote uit te betalen heffingskorting met € 533 verminderd tot € 1468. Het bedrag van deze vermindering werd niet alsnog in aanmerking genomen bij de echtgenoot. Beide echtgenoten waren het daar niet mee eens; zij wilden de volle korting ook voor de niet-werkende vrouw. Zij betoogden onder meer dat de onderhavige afbouw een ongerechtvaardigde schending vormt van het recht op privé-, familie- en gezinsleven. Ook voerden zij aan dat de afbouw in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom. Ze werden door zowel de rechtbank als het hof in het ongelijk gesteld. Daarop stelden ze cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de cassatieberoepen van beide echtgenoten ongegrond verklaard. Volgens de Hoge Raad vormt de afbouwregeling geen ongerechtvaardigde schending van het recht op privé-, familie- en gezinsleven. De afbouw is namelijk bij wet voorzien. Hij dient daarnaast diverse doelstellingen in het belang van het economisch welzijn van Nederland. De keuze om de algemene heffingskorting te benutten om die doelstellingen te verwezenlijken, valt volgens de Hoge Raad binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever heeft bij het maken van wetgeving. Hierom is deze maatregel ook geen verboden ongelijke behandeling van één en tweeverdienersgezinnen, dan wel van gezinnen met (on)voldoende inkomen om de algemene heffingskorting te verzilveren. Van strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom is daarom naar het oordeel van de Hoge Raad evenmin sprake.

Uitspraken

ECLI:NL:HR:2018:429
ECLI:NL:HR:2018:593