Strafrechtelijke vervolging van bewindspersonen of Kamerleden
In een Protocol (blg831126.pdf (parlementairemonitor.nl)) is omschreven op welke wijze wordt omgegaan met aangiften over ambtsdelicten van bewindspersonen en Kamerleden die binnenkomen bij een ministerie, het Openbaar Ministerie of bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De procureur-generaal kan in zo’n geval de minister van Justitie en Veiligheid informeren over de vraag of er aanknopingspunten zijn voor een opsporingsonderzoek. Hij doet dit na het verrichten van een oriënterend onderzoek.
Oriënterende onderzoeken naar aanleiding van aangiften tegen minister Faber
In 2025 heeft de procureur-generaal onder meer oriënterende onderzoeken verricht naar aanleiding van twee aangiften tegen de inmiddels voormalig minister van Asiel en Migratie, minister Faber.
In de aangiften werd gesteld dat sprake was van de ambtsmisdrijven als bedoeld in de artikelen 355 en 356 Sr (het opzettelijk of door grove schuld handelen of nalaten van bewindspersonen in strijd met de Grondwet of andere wetten). De artikelen 355 en 356 Sr stammen uit 1840, de tijd dat nog geen sprake was van politieke ministeriële verantwoordelijkheid. In een recent wetsvoorstel, de Herzieningswet ambtsmisdrijven Kamerleden en bewindspersonen, wordt voorgesteld deze twee strafbepalingen te schrappen, onder meer omdat het naar hedendaagse maatstaven zeer twijfelachtig is of een veroordeling voor deze algemeen omschreven ambtsmisdrijven mogelijk is. In de oriënterende onderzoeken is daarom door de procureur-generaal vooropgesteld dat de strafbepalingen restrictief moeten worden uitgelegd en zeer terughoudend moeten worden toegepast. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat een strafvervolging op niets zal uitlopen als de strafbepalingen in de tussentijd worden geschrapt.
In de eerste aangifte werd gesteld dat minister Faber opzettelijk naliet bescherming te bieden aan asielzoekers en medewerkers in het vluchtelingenaanmeldcentrum in Ter Apel. Volgens de aangever maakte de minister zich daarmee schuldig aan het ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 355 onder 4° Sr (het opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet of andere wetten (…), voor zover die uitvoering wegens de aard van het onderwerp tot haar taak behoort of haar uitdrukkelijk is opgedragen). De aangifte en de in het oriënterend onderzoek betrokken stukken boden volgens de procureur-generaal onvoldoende grond voor de stelling dat sprake was van een verdenking dat de minister opzettelijk naliet om bescherming te bieden aan asielzoekers en medewerkers in het vluchtelingenaanmeldcentrum in Ter Apel en daarmee opzettelijk naliet uitvoering te geven aan bepalingen van de Grondwet of algemene maatregelen van bestuur. Het oriënterend onderzoek leverde geen aanknopingspunten op voor een strafrechtelijk onderzoek.
In de tweede aangifte werd gesteld dat de minister in strijd handelde met artikel 21 Vluchtelingenverdrag, in combinatie met artikel 93 Grondwet, door na te laten in behoorlijke huisvesting voor vluchtelingen te voorzien. Ook werd in deze aangifte gesteld dat de minister bij het indienen van het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet en het Wetsvoorstel tweestatusstelsel in strijd had gehandeld met artikel 73 lid 1 Grondwet. De aangever stelde dat de minister zich daarmee schuldig had gemaakt aan ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 355 Sr en artikel 356 Sr. Ook deze aangifte bood volgens de procureur-generaal onvoldoende aanknopingspunten voor een strafrechtelijk onderzoek. In artikel 73 lid 1 Grondwet staat dat de Raad van State - behoudens bij wet te bepalen uitzonderingen - wordt gehoord over wetsvoorstellen. De aangever stelde dat de minister in strijd met deze bepaling had gehandeld omdat zij de Raad van State te weinig tijd had gegund (een termijn van een week) om tot een volledig advies te komen. Bij de Raad van State waren echter vanaf 20 december 2024 adviesaanvragen aanhangig over de genoemde wetsvoorstellen. Deze adviezen waren op 5 februari 2025 vastgesteld en op 10 februari 2025 gepubliceerd. De aangifte bood dan ook volgens de procureur-generaal onvoldoende aanknopingspunten ter onderbouwing van de stelling dat sprake was van handelen in strijd met artikel 73 lid 1 Grondwet. Ook ten aanzien van de stelling dat sprake was van handelen in strijd met artikel 21 Vluchtelingenverdrag, in combinatie met artikel 93 Grondwet, waarmee de minister zich schuldig zou maken aan ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 355 Sr en artikel 356 Sr, kwamen uit het onderzoek geen aanknopingspunten naar voren voor een opsporingsonderzoek.
Lees hier (Rapporten oriënterende onderzoeken n.a.v. aangiften tegen bewindspersonen of Kamerleden - Hoge Raad) de verslagen van de oriënterende onderzoeken.
Oriënterend onderzoek naar aanleiding van aangifte tegen minister Moes
Ook heeft de procureur-generaal in 2025 een oriënterend onderzoek verricht naar aanleiding van een aangifte tegen voormalig (demissionair) minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, minister Moes.
De aangifte werd gedaan door iemand die op dat moment werkzaam was als docent aan de Radboud Universiteit. In de aangifte werd gesteld dat minister Moes zich schuldig had gemaakt aan dwang door misbruik van gezag als bedoeld in artikel 365 Sr. De aangever legde hieraan ten grondslag dat de minister in een televisieprogramma uitlatingen had gedaan waarmee hij de Radboud Universiteit zou hebben gedwongen aangifte te doen tegen hem als docent.
De aangifte was toegesneden op het voltooide misdrijf van art. 365 Sr. Van een voltooid misdrijf als bedoeld in die bepaling is echter pas sprake als het misbruik van gezag heeft geleid tot het beoogde resultaat. Nu kon worden aangenomen dat de universiteit geen aangifte had gedaan, deed zich niet de situatie voor dat de minister de Radboud Universiteit (door misbruik van gezag) had gedwongen aangifte te doen. Van een verdenking van het voltooide misdrijf van art. 365 Sr was alleen daarom al geen sprake. Gelet op de strekking van de aangifte, heeft de procureur-generaal ook bezien of sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een poging tot dwang door misbruik van gezag.
Het onderzoek leverde geen aanwijzingen op dat de minister door zijn uitspraken zodanige druk had uitgeoefend op het universiteitsbestuur dat sprake was van poging tot dwang door misbruik van gezag in de zin van art. 365 Sr. De uitlatingen van de minister moesten worden begrepen tegen de achtergrond van debatten met de Tweede Kamer over de veiligheid op universiteiten en de bevoegdheden die de minister heeft wanneer protesten op universiteiten uit de hand lopen of de veiligheid van studenten en medewerkers in het geding is. Het onderzoek leverde geen aanknopingspunten op voor een redelijk vermoeden dat de minister het voornemen had de grenzen van zijn bevoegdheden te overschrijden.
Lees hier (Rapporten oriënterende onderzoeken n.a.v. aangiften tegen bewindspersonen of Kamerleden - Hoge Raad) het verslag van het oriënterende onderzoek.
Lopend oriënterend onderzoek
In het vorige jaarverslag werd al melding gemaakt van een voorgenomen oriënterend onderzoek naar aanleiding van aangiften die zijn gedaan tegen verschillende (voormalige) bewindspersonen wegens (onder meer) medeplichtigheid aan door Israël gepleegde oorlogsmisdrijven door (onder meer) het leveren van reserve-onderdelen voor F-35 gevechtsvliegtuigen aan Israël. De procureur-generaal wachtte de uitkomst af van de cassatieprocedure in een civiele zaak die ging over de vraag of de uit- en doorvoer vanuit Nederland naar Israël van onderdelen van F-35-gevechtsvliegtuigen moesten worden stopgezet, en of de rechter daartoe aan de Nederlandse Staat een bevel kan geven. De Hoge deed op 3 oktober 2025 uitspraak in die zaak (zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1435). De procureur-generaal is na deze uitspraak gestart met zijn oriënterend onderzoek. De uitkomst wordt in de loop van 2026 verwacht.
Brieven
In 2025 ontving de procureur-generaal twee brieven van mensen die aangiften wensten te doen tegen bewindspersonen omdat zij het niet eens waren met politieke beslissingen of gevoerd beleid. De procureur-generaal heeft deze brieven niet beschouwd als aangiften in de zin van art. 2 onder a van het Protocol omdat naar zijn oordeel geen sprake was van meldingen die betrekking hadden op concrete gedragingen die een bepaald strafbaar feit opleverden.
- Voorwoord
-
De Hoge Raad in de samenleving
-
De vierde kamer
- Karin Korporaal, managementondersteuner van de procureur-generaal
- Nathalie Kirkels-Vrijman, chef van het kabinet van de procureur-generaal
- Arnoud van Staden ten Brink, medewerker kabinet van de procureur-generaal
- Edwin Bleichrodt, procureur-generaal bij de Hoge Raad
- Monique Wesselink, griffier bij de Hoge Raad
- Vincent van den Brink, vicepresident van de strafkamer
- Dineke de Groot, president van de Hoge Raad en voorzitter van de vierde kamer
-
De Hoge Raad
- Contacten met de wetgever
-
Het parket bij de Hoge Raad
- Cassatie in het belang der wet
- Herziening
- Schorsing en ontslag van rechters, disciplinaire maatregelen
- Strafrechtelijke vervolging van bewindspersonen of Kamerleden
- Toezicht op het Openbaar Ministerie
- Toezicht verwerking persoonsgegevens gerechten en parket bij de Hoge Raad
- Externe klachtzaken
- Interne klachtzaken
- Aanwijzen gerecht
- Betekening van exploten
- Overige correspondentie
- Samenstelling parket 31-12-2025
-
Bedrijfsvoering
-
Annual report
- The Supreme Court and society
- The Supreme Court
- The Civil Division
- The Criminal Division
- The Tax Division
- Law of the European Union
- The Fourth Division
- Complaints and other correspondence
- Contacts with the legislator
- The Procurator General’s Office at the Supreme Court
- Cassation in the interest of the law
- Review
- Supervision of the Public Prosecution Service (OM)
- External complaint cases