Bijdragen aan rechtsontwikkeling


De kern van de maatschappelijke taak die de Hoge Raad heeft, is het bevorderen van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid en het bieden van individuele rechtsbescherming. De afgelopen jaren is de Hoge Raad rechtsontwikkeling en rechtseenheid in steeds sterkere mate als zijn primaire taken gaan zien. Dat is mede een gevolg van de invoering van de Wet versterking cassatierechtspraak in 2012. Doel van de wet is om de Hoge Raad beter in staat te stellen zich te concentreren op deze kerntaken. Deze focus op rechtsontwikkeling en rechtseenheid is ook te zien bij de hoogste rechters in landen om ons heen.

Niet alle beslissingen van de Hoge Raad zijn even richtinggevend en belangrijk. De meeste tijd en energie moeten echter wel in de meest richtinggevende beslissingen worden gestoken. Het is dus van belang dat de Hoge Raad selectief met de schaarse en kostbare tijd omgaat.

Bij de afdoening van zaken vindt daarom een prioriteitstelling plaats. In de aanpak van zaken wordt met het oog daarop onderscheid gemaakt tussen verschillende werkstromen, die een verschillende aanpak krijgen.

Art. 80a Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO)

Het instrument dat de Hoge Raad daarvoor steeds meer inzet is art. 80a van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO). Dit wetsartikel is in 2012 ingevoerd. Kern hiervan is het systeem van ‘selectie aan de poort’. Dit betekent dat de Hoge Raad cassatieberoepen al snel na binnenkomst niet-ontvankelijk verklaart als de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden of als een partij evident onvoldoende belang heeft bij haar cassatieberoep. Art. 80a RO geldt voor cassatiezaken op alle gebieden: civiel, straf en belasting.

Naast de afdoening via art. 80a RO heeft de Hoge Raad ook twee andere wettelijke instrumenten die hem in staat stellen om als hoogste rechter zoveel mogelijk bij te dragen aan de rechtsontwikkeling. Dit is de afdoening via art. 81 RO en de beantwoording van prejudiciële vragen van rechtbanken en gerechtshoven.

Art. 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie

De regeling van art. 81 RO bestaat al sinds 1988. Ook dit artikel voorziet in afdoening van zaken zonder inhoudelijke motivering door de Hoge Raad. De Hoge Raad past dit artikel toe als het cassatieberoep ongegrond is en geen juridisch belangrijke nieuwe vragen oproept. Bijvoorbeeld als rechtzoekenden ‘naar de bekende weg vragen’ door rechtsvragen voor te leggen die al zijn beantwoord, en er verder geen reden is het verwerpen van het cassatieberoep nader te motiveren. Dat kan (ook) het geval zijn als de conclusie van de advocaat-generaal voldoende duidelijkheid heeft verschaft.

Het verschil met de afdoening via art. 80a RO is dat art. 81 RO aan het ‘einde’ van de cassatieprocedure plaatsvindt terwijl de selectie van zaken die worden afgedaan met art. 80a in het begin van de procedure plaatsvindt. Ook de afdoening van art. 81 RO bespaart de Hoge Raad tijd en daarmee biedt zij de Hoge Raad extra ruimte voor verdieping in de zaken die er in juridisch opzicht echt toe doen.

Beide regelingen, die van art. 80a en art. 81 RO, hebben gemeen dat de Hoge Raad geen inhoudelijke onderbouwing geeft als hij het gehele cassatieberoep of het cassatiemiddel niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart. Dat de Hoge Raad een dergelijke beslissing niet motiveert, wil dus niet zeggen dat hij de aangevoerde klachten niet serieus bekeken heeft. Integendeel.

Prejudiciële vragen

Sinds medio 2012 is het mogelijk voor rechtbanken en hoven om prejudiciële vragen te stellen aan de civiele kamer van de Hoge Raad. Sinds 1 januari 2016 geldt dat ook voor de belastingkamer. In strafzaken bestaat die mogelijkheid nog niet, maar er bestaan wel plannen om deze mogelijkheid ook in strafzaken open te stellen.

Meer over prejudiciële vragen