Vincent van den Brink, vicepresident van de strafkamer

Foto Vincent jaarverslag

‘Je wilt niet dat mensen het idee hebben dat ze onrechtvaardig en onjuist behandeld zijn.’

Vaak de belastingkamer

Van alle wrakingsverzoeken die de vierde kamer krijgt voorgelegd betreft het merendeel de belastingkamer. Slechts sporadisch wordt een wrakingsverzoek ingediend tegen een lid van de strafkamer of de civiele kamer. De reden is simpel, legt Van den Brink uit. ‘De drempel is veel lager omdat iedere burger die cassatieberoep in een belastingzaak heeft ingesteld, zelf ook een wrakingsverzoek bij de belastingkamer kan indienen. In civiele of strafzaken moet zo’n verzoek door de advocaat worden ingediend. Advocaten zijn door hun professionele achtergrond terughoudender met het indienen van wrakingsverzoeken.’

Professioneel verleden

In de meeste gevallen brengen de indieners van een wrakingsverzoek naar voren dat het lid in zijn zaak niet onpartijdig is of kan zijn omdat hij of zij zich in het verleden eerder met fiscale of maatschappelijke onderwerpen heeft beziggehouden. ‘Maar’, zegt Van den Brink, ‘ieder lid van de Hoge Raad heeft een professioneel verleden, bijvoorbeeld als rechter, adviseur of als wetenschapper. Dat is op zichzelf geen reden voor wraking.’ Of het nu gaat om een wetenschapper die ooit in een publicatie iets over een verwante kwestie heeft geschreven, om een rechter die ooit in een vergelijkbare zaak uitspraak heeft gedaan of om een belastingadviseur die vroeger bij een bepaald kantoor heeft gewerkt: dat betekent nog niet dat iemand daarom nooit meer objectief kan zijn. De Hoge Raad heeft strenge interne regels die ervoor zorgen dat de raadsheren in de verschillende kamers niet bij zaken worden betrokken die dicht op een vorige werkkring of op eerder behandelde problemen staan. ‘Een soort cooling-down dus.’

Correct behandelen

Voor de behandeling van wrakingsverzoeken ten aanzien van een lid van de belastingkamer heeft de Hoge Raad gekozen voor een vaste ploeg van drie, niet aan de belastingkamer verbonden raadsheren. Van den Brink is één van hen. ‘In de Vierde kamer werk je samen met collega’s uit andere kamers, iets wat doorgaans zelden voorkomt. Dat is het aardige aan die zaken die bovendien heel anders zijn dan we hier normaal gesproken doen in de strafkamer. Ik heb trouwens nog niet meegemaakt dat een wrakingsverzoek is toegewezen. En dat is echt niet omdat we hier de hele tijd elkaar de hand boven het hoofd houden.’ Wrakingsverzoeken zijn er in alle maten en soorten. Soms lijkt het erop dat  een wrakingsverzoek ook wordt ingediend om de zaak nog even te rekken, bijvoorbeeld om nog niet te hoeven betalen. Soms gaat het zelfs zo ver, weet hij uit ervaring, dat de leden van de Hoge Raad die een wrakingsverzoek in behandeling nemen, zelf ook weer worden gewraakt. ‘Dat mag, dus de Hoge Raad neemt dat serieus. ‘Elke zaak handelen we correct af. Je wilt niet dat mensen het idee hebben dat ze onrechtvaardig en onjuist behandeld zijn. Tegen de mensen die dat wel vinden moeten we kunnen uitleggen hoe hun zaak is behandeld, dat de procedure volgens de regels is verlopen en dat hun verzoek onze volle aandacht had. Dat is voor het vertrouwen in de rechtspraak van essentieel belang.’ Om die reden worden burgers die een wrakingsverzoek hebben ingediend ook zoveel mogelijk uitgenodigd hun bezwaren mondeling toe te lichten. Voor hen biedt dat de gelegenheid nog eens onder woorden te brengen wat hun bezwaar is, want juist omdat ze geen advocaat hebben, is dat soms moeilijk uit te leggen. ‘En voor ons is zo’n zitting ook een bijzondere aanvulling op het werk, omdat wij in onze gewone cassatiezaken bijna alleen papieren zaakdossiers zien.’