In de verslagperiode zijn twee klachten ingediend tegen leden van het parket bij de Hoge Raad.

De eerste klacht werd namens 38 belanghebbenden ingediend en had betrekking op de conclusie die een advocaat-generaal had genomen in de gezamenlijk behandelde zaken van deze belanghebbenden. Volgens de procureur-generaal betrof de klacht in de kern de zakelijke/juridische inhoud van de conclusie. De procureur-generaal oordeelde dat geen sprake was van een klacht over een gedraging zoals bedoeld in de Klachtenregeling van het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (verder: de interne klachtenregeling). Daarom verklaarde de procureur-generaal de belanghebbenden niet-ontvankelijk in de namens hen ingediende klacht. Over deze afdoening werd namens de belanghebbenden vervolgens een klacht ingediend tegen de procureur-generaal. De plaatsvervangend-procureur generaal verklaarde deze vervolgklacht deels niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond.

De tweede klacht was gericht tegen de plaatsvervangend procureur-generaal en betrof de wijze van afhandeling van een door de klager ingediende klacht als bedoeld in art. 13a Wet RO. De plaatsvervangend procureur-generaal had klager geschreven dat de klacht niet in behandeling kon worden genomen omdat de klacht een rechterlijke beslissing betrof. De klager was het hier niet mee eens. Omdat de klacht een beslissing betrof ten aanzien van de toepassing van art. 13a en verder van de Wet RO, werd de klacht niet in behandeling genomen (zie art. 2.4 van de interne klachtenregeling).

Ten slotte werd door de procureur-generaal in 2025 een beslissing genomen op een klacht die in 2024 werd ingediend tegen een advocaat-generaal. De klacht betrof een conclusie die deze advocaat-generaal had genomen in de zaak van de klager en kwam erop neer dat de advocaat-generaal zich onbehoorlijk had gedragen jegens de klager door in zijn conclusie bepaalde uitlatingen te doen over de klager als persoon en over zijn bedrijf. Zoals in het vorige jaarverslag is vermeld, heeft de procureur-generaal een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en de advisering over deze klacht. In 2025 volgde de beslissing op deze klacht. De procureur-generaal verklaarde de klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor zover de klacht betrekking had op de kwalificatie in de conclusie van de procedure als “non-zaak”. Voor het overige verklaarde de procureur-generaal, in navolging van het advies van de klachtadviescommissie, de klacht ongegrond.