Een ieder die een klacht heeft over de manier waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie ten opzichte van hem of haar heeft gedragen, kan een klacht indienen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Een klacht moet gaan over het gedrag van een rechter; klagen over een rechterlijke beslissing is bij wet uitdrukkelijk uitgesloten. Informatie over de klachtregeling is te vinden op de website van de Hoge Raad.

In 2025 (hierna: de verslagperiode) zijn 140 klachten ingediend bij de procureur-generaal. Dit betekent opnieuw een toename van het aantal ingediende klachten ten opzichte van het jaar ervoor. In 2024 betrof het aantal ingediende klachten 136. Ter vergelijking: in 2023 waren 121 klachten ingediend en in 2022 ging het om 108 ingediende klachten.

In 2025 zijn 101 van de ingediende klachten afgehandeld. 31 van de in de verslagperiode ingediende klachten zijn begin 2026 afgehandeld. Daarnaast zijn in 2025 zestien klachten uit 2024 afgehandeld.

In 2025 zijn in totaal 38 brieven verstuurd naar aanleiding van een verzoek tot heroverweging.

Categorieën klachten

Klachten met betrekking tot een rechterlijke beslissing

Ook in deze verslagperiode had een groot deel van de behandelde klachten betrekking op een (of meer) rechterlijke beslissing(en). In totaal werd in 70 van de van de afgehandelde klachtzaken (onder meer) aangevoerd dat de verzoeker het niet eens was met een rechterlijke beslissing.

Het begrip ‘rechterlijke beslissing’ ziet allereerst op de eindbeslissing in een zaak. Een voorbeeld daarvan is de klacht tegen raadsheren van de Hoge Raad die inhield dat de Hoge Raad ten onrechte, en in afwijking van de conclusie van de advocaat-generaal, het cassatieberoep heeft verworpen en deze verwerping (deels) heeft afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 Wet RO. De procureur-generaal heeft de klager erop gewezen dat niet over een rechterlijke beslissing kan worden geklaagd. Eenzelfde reactie volgde op klachten die betrekking hadden op de waardering van het bewijs door de rechter en de motivering van de eindbeslissing. Dergelijke klachten vallen buiten het bereik van de wettelijke klachtregeling. Hetzelfde lot trof een klacht over een feitelijke vaststelling in de eindbeslissing van een rechtbank.

Daarnaast ziet de term ‘rechterlijke beslissing’ ook op onder andere het verloop van zowel de procedure in het algemeen als het verloop van de zitting in het bijzonder. Zo stuitte een klacht af op de wettelijke beperking dat niet kan worden geklaagd over een rechterlijke beslissing voor zover deze luidde dat de rechter-commissaris in het faillissement de op hem rustende toezichtstaak als bedoeld in art. 64 Faillissementswet niet naleeft. De klacht over een rechter die een vraag zou hebben gesteld of een opmerking zou hebben gemaakt waarbij hij de term ‘cultureel aspect’ heeft gebruikt, is eveneens – en voor zover de klacht verband houdt met de gestelde vraag of de gemaakte opmerking – een klacht over een rechterlijke beslissing. De term was, aldus de verzoeker, afkomstig uit een rapport dat onderdeel was van het procesdossier. De plaatsvervangend procureur-generaal onderstreepte dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechter de vrijheid moet hebben om ter zitting de vragen te stellen en de opmerkingen te maken die hij of zij noodzakelijk acht. Een rechterlijke beslissing betrof evenzeer de klacht van een ouder over een verzoek aan zijn minderjarige kind een brief te schrijven aan de kinderrechter. Dit verzoek hield verband met een landelijk pilot op basis van een aanbeveling van de Werkgroep positie en (recht op) participatie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken waarbij kinderen vanaf acht jaren oud de gelegenheid werd geboden om een gesprek te hebben met of een brief te schrijven aan de kinderrechter. Dezelfde kwalificatie kreeg toebedeeld de klacht over een rechter die de verzoeker in de procedure had aangemerkt als informant en de daarmee verband houdende beslissing van de wrakingskamer dat het verzoek tot wraking van de informant niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Deze beslissing van de wrakingskamer stoelde op het oordeel dat een informant niet is aan te merken als partij als bedoeld art. 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens de procureur-generaal zag de klacht in al haar onderdelen op rechterlijke beslissingen.

Op basis van bijzondere wetten waarin de wettelijke klachtregeling (geheel of deels) van overeenkomstige toepassing is verklaard, kan ook worden geklaagd over anderen dan rechterlijke ambtenaren die met rechtspraak zijn belast als bedoeld in de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO). Ook hier geldt echter de beperking dat over de beslissing zelf niet kan worden geklaagd. Een klacht over de inhoud van een beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is zo’n klacht die niet in behandeling kan worden genomen omdat wordt geklaagd over een rechterlijke beslissing. Hetzelfde geldt voor de klacht dat (de behandelend voorzitter van) de Raad van Discipline ten onrechte een brief van verzoeker buiten beschouwing heeft gelaten, waarin staat dat de verzoeker zich onder bepaalde omstandigheden genoodzaakt ziet de tuchtrechtelijke klacht in te trekken. De procureur-generaal verwijst in zijn brief naar de uitspraak. In deze uitspraak is overwogen dat de brief niet aan het procesdossier is toegevoegd, omdat deze buiten de termijn als bedoeld in het toepasselijke Landelijk Procesreglement is ingediend. Aldus, zo oordeelt de procureur-generaal, berust het buiten beschouwing laten van de brief op een beslissing van de behandelend voorzitter, zoals ook blijkt uit de overwegingen in de uitspraak.

Klachten over een gedraging van een rechter

Wel kan worden geklaagd over de wijze waarop een rechter zich heeft gedragen jegens de verzoeker. Het gaat daarbij om de vraag of de rechter zich in de aangelegenheid waarover de klacht gaat behoorlijk heeft gedragen.

Veel klachten over het gedrag van rechters hebben in essentie betrekking op een (beweerdelijk) gebrek aan onpartijdigheid van de beklaagde rechter. In art. 13b lid 1, aanhef en onder f, Wet RO is bepaald dat in het geval voor de verzoeker met betrekking tot de klacht een voorziening bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt of ten aanzien van die klacht een uitspraak van een rechterlijke instantie is gedaan waartegen geen rechtsmiddel openstaat, de procureur-generaal niet verplicht is te voldoen aan het verzoek een vordering bij de Hoge Raad in te dienen tot het doen van een onderzoek naar de (desbetreffende) gedraging. Deze wettelijke grond wordt, indien van toepassing, in de regel toegepast. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken.

In de verslagperiode is een deel van klachten over gedragingen van rechters buiten behandeling gelaten op de grond dat de verzoeker de rechter heeft gewraakt of had kunnen wraken. Een klacht die inhield dat de verzoeker vond dat de rechter niet-onpartijdig was tijdens de zitting is zo’n klacht die de plaatsvervangend procureur-generaal niet in behandeling heeft genomen gelet op het bepaalde in art. 13b lid 1, aanhef en onder f, Wet RO. De plaatsvervangend procureur-generaal betrok in zijn afweging de omstandigheid dat de verzoeker de rechter daadwerkelijk heeft gewraakt. Op dezelfde grond is de klacht buiten behandeling gelaten die inhield dat de verzoeker geen vertrouwen had in de objectiviteit en onafhankelijkheid van de beklaagde rechter in verband met een volgens verzoeker sturende houding van de beklaagde rechter. Ook de klacht dat een rechter(-plaatsvervanger) de meeste vragen feitelijk namens de Belastingdienst heeft beantwoord en wel in het nadeel van verzoeker, is door de procureur-generaal niet in behandeling genomen omdat de wet voor zulke klachten de mogelijkheid van wraking kent.

Een ander veel toegepaste wettelijke grond om geen vordering bij de Hoge Raad in te dienen, is dat de klacht is ingediend bij het gerecht waar de rechter werkzaam is, deze klacht aldaar is behandeld en de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in art. 13a Wet RO (zie art. 13b lid 1, aanhef en onder c, Wet RO).

Een voorbeeld daarvan is een klacht over beweerdelijk onbehoorlijk gedrag van een rechter tijdens de zitting, meer in het bijzonder dat de rechter de verzoeker tijdens de zitting zou hebben uitgelachen. De verzoeker was in de plaats van zijn partner, eiseres in de procedure, aanwezig ter zitting. Het gerechtsbestuur heeft deze klacht – in het kader van de klachtprocedure op de voet van de interne klachtregeling van het desbetreffende gerecht – voorgelegd aan de beklaagde rechter. De rechter heeft aan het bestuur te kennen gegeven de verzoeker niet te hebben uitgelachen. Bovendien, zo heeft de rechter het gerechtsbestuur ingelicht, heeft hij tijdens de zitting met verzoeker gesproken over diens verwijt dat de rechter deze verzoeker zou hebben uitgelachen. Volgens de rechter heeft hij verzoeker ter zitting uitgelegd dat en waarom hij op een moment moest glimlachen. Daarnaast heeft het bestuur acht geslagen op de door de griffier geconcipieerde zittingsaantekeningen, waarin het voorgaande bevestiging vindt. Op basis van dit onderzoek is de klacht door het bestuur ongegrond verklaard. De procureur-generaal oordeelt dat het gerechtsbestuur de klacht op een zorgvuldige wijze heeft beoordeeld. Aldus heeft verzoeker naar het oordeel van de procureur-generaal redelijkerwijs onvoldoende belang bij een onderzoek door de Hoge Raad.

Een ander voorbeeld betreft een klacht over een rechter die zijn nevenfunctie als arbiter niet had vermeld in het landelijk register van nevenfuncties van rechters. Hierover is geklaagd bij het bestuur van het gerecht waar de beklaagde rechter werkzaam was. Het gerechtsbestuur heeft de klacht in zoverre gegrond geacht. Daarnaast is de nevenfunctie van de desbetreffende rechter alsnog in het register opgenomen. De procureur-generaal is van oordeel dat de klacht op dit onderdeel naar behoren is behandeld en afgedaan. Gelet op de gegrondverklaring van de klacht in combinatie met de aanvulling van het register, bestond naar het oordeel van de procureur-generaal in zoverre onvoldoende belang bij een onderzoek als bedoeld in art. 13a Wet RO. De procureur-generaal heeft wel onderstreept dat de klager dit punt terecht aan de orde heeft gesteld en terecht het belang van een volledig register heeft benadrukt.

Overige klachten

Op grond van art. 13f lid 1, tweede volzin, Wet RO kan de Hoge Raad tevens beoordelen of het betrokken gerechtsbestuur zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen, met name in verband met de interne behandeling van een klacht door het bestuur. In de verslagperiode zijn eveneens dergelijke klachten ingediend.

Een voorbeeld daarvan betreft een klacht die inhield dat het bestuur bij de beslissing is uitgegaan van een onjuiste feitelijke grondslag. De procureur-generaal citeert in zijn beslissing de relevante passages van de brief van het gerechtsbestuur aan de verzoeker. Daaruit blijkt dat het bestuur onder meer acht heeft geslagen op het proces-verbaal van de zitting. Daarnaast heeft het bestuur de rechter in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te delen. Zo heeft de beklaagde rechter erkend dat zijn toon jegens cliënte van verzoeker stevig was, maar heeft hij eveneens benadrukt dat cliënte van verzoeker zich onbehoorlijk gedroeg. De cliënte van verzoeker en haar advocaat waren al meer dan een uur aan het woord geweest, toen de rechter de procureur-generaal heeft ten aanzien van onder meer dit klachtonderdeel geoordeeld dat hij geen aanknopingspunt ziet in het verzoekschrift dat het gerechtsbestuur is uitgegaan van een onjuiste feitelijke grondslag. De klacht was volgens de procureur-generaal – ook ten aanzien van dit klachtonderdeel – op een zorgvuldige manier behandeld, terwijl de beoordeling niet onjuist werd bevonden. De procureur-generaal oordeelde dat de verzoeker onvoldoende belang had bij een onderzoek door de Hoge Raad.

Een ander voorbeeld betreft een klacht die inhoudt dat de president van de rechtbank weigert klachten van verzoekster te (doen) behandelen. De procureur-generaal heeft acht geslagen op de beoordeling van deze klacht door het bestuur, waaruit het volgende blijkt. Volgens het gerechtsbestuur is verzoekster meermalen erop gewezen dat klachten moeten worden ingediend door een e-mail te sturen aan een specifiek e-mailadres van de rechtbank. Gelet op de vaststelling dat op het specifieke, voor klachten bedoelde e-mailadres van (het bestuur van) de rechtbank niets is ontvangen, is de klacht ongegrond verklaard. De procureur-generaal oordeelt dat de beoordeling van deze klacht niet onjuist is. Hieruit volgt dat de verzoekster redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek door de Hoge Raad.

Vordering

In de verslagperiode is door de procureur-generaal geen vordering ingediend bij de Hoge Raad tot het doen van nader onderzoek naar de gedraging van een rechter op de voet van art. 13a e.v. Wet RO.