Cassatie in het belang der wet

Verzoeken

In 2025 zijn 37 verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen binnengekomen bij de procureur-generaal. Dit is er één minder dan het jaar daarvoor.

Afwijzingen

In de verslagperiode zijn dertig afwijzingsbrieven verzonden op verzoeken tot het instellen van cassatie in het belang der wet. Dit zijn er twaalf meer dan een jaar eerder. De meest voorkomende reden voor het afwijzen van een verzoek was dat er geen sprake was van een rechtsvraag die met het oog op de rechtseenheid en rechtsontwikkeling opheldering behoefde.

Er waren twee zaken - die via de Commissie cassatie in het belang der wet onder de aandacht van de procureur-generaal waren gebracht - waarin aanvankelijk het voornemen bestond om een vordering in te dienen, maar uiteindelijk werd besloten om geen vordering in te dienen. Deze zaken betroffen:

-        de vraag of het gelet op art. 7:259 en 7:260 BW mogelijk is om in één dagvaardingsprocedure meerdere opeenvolgende jaarafrekeningen van servicekosten te laten vaststellen. Na HR 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:701, rov. 3.5 werd alsnog afgezien van het instellen van een vordering.

-        de vraag wie het risico draagt indien een consument zijn herroepingsrecht uit art. 6:230o BW uitoefent en de retourzending de handelaar niet (of in beschadigde staat) bereikt. Na nader jurisprudentieonderzoek is alsnog afgezien van het voornemen.

Vorderingen en uitspraken

In 2025 zijn acht vorderingen tot cassatie in het belang der wet ingediend. Dat zijn er vier minder dan vorig jaar. Het betroffen vijf strafzaken, twee civielrechtelijke zaken en één fiscale zaak. Enkele zaken worden hier uitgelicht.

Pilot horen getuigen door senior gerechtsjurist

In een van de strafzaken waarin een vordering werd ingediend was de vraag aan de orde of het verhoor van een getuige in het kabinet van de raadsheer-commissaris mag plaatsvinden door een senior gerechtsjurist. De aanleiding voor deze vraag was een pilot van een van de gerechtshoven waarbij getuigen in vooraf geselecteerde zaken, met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging, onder verantwoordelijkheid van de raadsheer-commissaris werden gehoord door een ervaren senior gerechtsjurist. De procureur-generaal bij de Hoge Raad diende een vordering tot cassatie in het belang der wet in om aan de Hoge Raad de vraag voor te leggen of deze werkwijze toelaatbaar was. De procureur-generaal achtte de werkwijze niet toelaatbaar omdat deze een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert. Hoge Raad oordeelde gelijkluidend.

Zie voor de vordering https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:806

en voor de uitspraak van de Hoge Raad https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1434.

Beperkingen proceskostenvergoedingen in zaken over verkeersboetes

Ook werd een vordering ingediend in een zaak waarin een verkeersboete was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Met ingang van 1 januari 2024 heeft de

wetgever beperkingen ingevoerd ten aanzien van de proceskostenvergoedingen in WAHV-zaken. De wetgever wilde zo de financiële prikkel wegnemen voor procedures waarin rechtsbijstand wordt verleend op grond van het principe ‘no cure, no pay’. In de zaak waarin een vordering tot cassatie in het belang der wet werd ingediend had het hof geoordeeld dat bij de toekenning van een proceskostenvergoeding de per 1 januari 2024 ingevoerde beperkingen buiten toepassing moesten worden gelaten, omdat het hof niet uitsloot dat die beperkingen (kort gezegd) in strijd zijn met het discriminatieverbod dat voortvloeit uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

De advocaat-generaal Keulen, die namens de procureur-generaal de vordering indiende, was het hier niet mee eens. De Hoge Raad volgde de vordering en verwees daartoe naar een eerder arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad ten aanzien van de regeling over de beperkingen van de proceskostenvergoedingen in de zaken betreffende de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm). Deze beperkingen achtte de belastingkamer niet in strijd met het verdragsrecht. De strafkamer van de Hoge Raad komt ten aanzien van de beperkingen van de proceskostenvergoedingen op grond van de WAHV tot hetzelfde oordeel. Van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling - en dus van strijd met het EVRM - is door de beperking van de proceskostenvergoeding ook in WAHV-zaken geen sprake, aldus de Hoge Raad.

Zie voor de vordering

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:369

en voor de uitspraak van de Hoge Raad

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:985.

Moet onder belanghebbende in de zin van art. 1:24 lid 1 BW ook verstaan worden de ambtenaar van de burgerlijke stand?

In een civiele zaak waarin een vordering tot cassatie in het belang der wet werd ingediend was de vraag aan de orde of de ambtenaar van de burgerlijke stand behoort tot de belanghebbenden die de rechter kunnen verzoeken aanvulling of verbetering van de registers van de burgerlijke stand te gelasten. De rechtsvraag werd door de Commissie cassatie in het belang der wet onder de aandacht van de procureur-generaal gebracht. Het ging in deze zaak om een kind dat in 1981 te vroeg geboren was en binnen enkele uren na de geboorte was overleden. Dit gebeurde kort voor de huwelijksdatum van de ouders. Er was geen geboorte- en overlijdensakte opgemaakt. De ouders hadden de wens dat de biologische vader alsnog in een geboorteakte werd vermeld en dat het kind zijn geslachtsnaam kreeg, net als de twee andere kinderen van de ouders. De ambtenaar van de burgerlijke stand had op de voet van art. 1:24 lid 1 BW de rechtbank verzocht aanvulling te gelasten van het register van geboorten met een geboorteakte van het kind en aanvulling van het register van overlijden met een overlijdensakte van het kind. De rechtbank had het verzoek toegewezen.

De advocaat-generaal Vlas, die namens de procureur-generaal de vordering indiende, was van oordeel dat de rechtbank blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de ambtenaar van de burgerlijke stand aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 1:24 lid 1 BW. De Hoge Raad volgt de vordering. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever steeds voor ogen heeft gehad dat naast het openbaar ministerie niet de ambtenaar van de burgerlijke stand de rechter kan verzoeken aanvulling of verbetering van de registers te gelasten. De ambtenaar van de burgerlijke stand behoort daarom niet tot de belanghebbenden in de zin van art. 1:24 lid 1 BW. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat dit niet wegneemt dat indien een belanghebbende in de zin van art. 1:24 lid 1 BW of het Openbaar Ministerie de rechter verzoekt aanvulling of verbetering van de registers te gelasten, de ambtenaar van de burgerlijke stand bij dat verzoek belanghebbende is, omdat hij krachtens art. 1:16a BW belast is met het opnemen van akten in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand en de daaraan toe te voegen latere vermeldingen.

Zie voor de vordering

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:247

en voor de uitspraak van de Hoge Raad

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:766.

Facebookposts van de minister van Financiën van Curaçao wekken geen gerechtvaardigd vertrouwen

Een fiscale zaak waarin een vordering tot cassatie in het belang der wet werd ingediend betrof een zaak waarin het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak had gedaan. Een van de vragen die in deze zaak speelden was de vraag in hoeverre posts van de minister van financiën van Curaçao op zijn privé Facebook-pagina gerechtvaardigd vertrouwen hadden gewekt. De minister had in die posts onder meer geschreven dat aanslagen over 2017 en ouder ‘gecanceld’ zouden worden. Het hof had een beroep op het vertrouwensbeginsel gehonoreerd.

Volgens de advocaat-generaal Wattel, die namens de procureur-generaal de vordering indiende, had het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen moeten worden. De posts konden niet als behoorlijk gepubliceerde beleidsregel gelden, alleen al niet omdat er zonder Facebook-account geen kennis van kon worden genomen. Zij waren bovendien slecht terug te vinden en deels alweer verwijderd. In het licht van het arrest Erven R./St. Eustatius van de Hoge Raad kon volgens de advocaat-generaal betwijfeld worden of dit Facebook-gedrag in het maatschappelijk verkeer als gedraging van het ministerie van financiën van Curaçao kon gelden. Het ging volgens de advocaat-generaal hoogstens om (onjuiste) voorlichting. Om daar tegen de wet in op te kunnen vertrouwen, moet de belastingplichtige iets hebben gedaan of nagelaten in vertrouwen op de onjuiste voorlichting wat hij daarzonder niet gedaan of nagelaten zou hebben, als gevolg waarvan hij belasting moet betalen die hij volgens die voorlichting niet zou hoeven betalen. Uit niets bleek dat dit hier het geval was, aldus de advocaat-generaal.

Zie voor de vordering http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:385

De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan.

Overige zaken waarin vorderingen werden ingediend

De overige zaken waarin in 2025 vorderingen werden ingediend betroffen:

Strafrecht

Civiel recht

  • de vraag of het mogelijk is om tijdens de zogenoemde ‘faillissementsgijzeling’ als bedoeld in art. 87 van de Faillissementswet een contactbeperking op te leggen. De rechtsvraag werd door de Commissie cassatie in het belang der wet onder de aandacht van de procureur-generaal gebracht. Zie voor de vordering

Voor: 
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1066

Zaken waarin de Hoge Raad in 2025 uitspraak deed

Ten slotte deed de Hoge Raad in 2025 uitspraak in de volgende zaken waarin in 2024 een vordering was ingediend.

Strafrecht

en voor de uitspraak van de Hoge Raad https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:455

Civiel recht