Aanwijzen gerecht voor strafvervolging van rechters en leden Openbaar Ministerie

In de verslagperiode zijn drie verzoeken tot aanwijzing van een gerecht voor de (mogelijke) vervolging en berechting van een rechter of officier van justitie behandeld (artikel 510 Wetboek van Strafvordering).

Het eerste verzoek betrof een rechter tegen wie aangifte was gedaan van het schenden van het ambtsgeheim. Het tweede verzoek betrof een aangifte tegen een rechter-plaatsvervanger in verband met het als bestuurder van een personenauto veroorzaken van een verkeersongeval.

In beide gevallen concludeerde de procureur-generaal tot aanwijzing van een andere rechtbank voor de mogelijke vervolging en berechting van de zaak. De Hoge Raad wees overeenkomstig de conclusies de rechtbank Amsterdam respectievelijk de rechtbank Rotterdam aan (HR 1 juli 2025, 25/02217; HR 8 juli 2025, 25/02326).

Het derde verzoek betrof leden van het Openbaar Ministerie tegen wie aangifte was gedaan door twee advocaten wegens onder meer schending van het ambtsgeheim. Een aantal officieren van justitie was aangeduid met naam en functie, anderen slechts als “onbekende leden van het parket”. Het merendeel van de genoemde officieren van justitie was werkzaam bij het landelijk parket, locatie Rotterdam. De procureur-generaal was van oordeel dat de omstandigheid dat (nog) niet ten aanzien van alle in de aangifte bedoelde personen kon worden vastgesteld om wie het ging, niet aan toewijzing van het verzoek in de weg hoefde te staan. Het is in overeenstemming met de strekking van artikel 510 Sv en met het belang van een doelmatige procesvoering dat de aangifte door één parket wordt behandeld dat niet is verbonden aan een gerecht waarbij het landelijk parket een vervolging instelt en waaraan ook overigens geen van de in de aangifte genoemde rechterlijke ambtenaren is verbonden, aldus de procureur-generaal in zijn conclusie. De Hoge Raad wees overeenkomstig de conclusie de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan (HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1632).