De vierde kamer
Naast de civiele kamer, strafkamer en belastingkamer kent de Hoge Raad een vierde kamer.
De vierde kamer behandelt klachten tegen rechterlijke ambtenaren en zaken over schorsing en ontslag van rechterlijke ambtenaren die voor het leven zijn benoemd. Alleen de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan zulke zaken voorleggen aan de Hoge Raad. Verder behandelt de vierde kamer verzoeken tot wraking van een rechter van de Hoge Raad. De vierde kamer bestaat uit de president van de Hoge Raad, drie vicepresidenten vanuit de civiele kamer, de strafkamer en de belastingkamer, en een aantal raadsheren uit die kamers. Uitspraken van de vierde kamer worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
In 2025 heeft de vierde kamer in elf zaken uitspraak gedaan. Eén uitspraak ging over de verwerking van persoonsgegevens door gerechten. Tien uitspraken gingen over verzoeken tot wraking van leden van de Hoge Raad.
Verwerking van persoonsgegevens door gerechten
De procureur-generaal kan, ambtshalve of op basis van een klacht, bij de Hoge Raad een vordering instellen tot het doen van een onderzoek naar de wijze waarop een gerecht persoonsgegevens verwerkt in het kader van de uitoefening van zijn gerechtelijke taken. Dit is vastgelegd in de Regeling toezicht verwerking persoonsgegevens door gerechten en het parket bij de Hoge Raad. Vorderingen op basis van deze regeling worden behandeld door de vierde kamer.
Op 9 september 2025 heeft de procureur-generaal naar aanleiding van een bij hem ingediende klacht een vordering ingediend. De klacht ging over de verwerking van persoonsgegevens in een nieuwsbericht dat een rechtbank in het kader van de behandeling van een strafzaak op rechtspraak.nl had geplaatst. De klacht bestond uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betrof de juistheid van bepaalde informatie in het nieuwsbericht. Het tweede onderdeel ging onder meer erover dat bepaalde informatie in het nieuwsbericht tot verzoekster herleidbaar was en zij in een negatief daglicht was komen te staan.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat beide onderdelen van de klacht gegrond waren (HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1980). Het nieuwsbericht bevatte informatie die in strijd was met het beginsel van juistheid dat is neergelegd in artikel 5 van de AVG. Het nieuwsbericht was tot verzoekster herleidbaar en de inhoud van het nieuwsbericht was zodanig dat kon worden voorzien dat herkenning van verzoekster voor haar ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Het ging om informatie die voor verzoekster stigmatiserend kon zijn en daarom was van de desbetreffende gegevens slechts toegestaan indien dat noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoekster was in dit geval niet noodzakelijk, Het nieuwsbericht berustte in zoverre niet op de in artikel 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG genoemde grondslag en was niet in overeenstemming met het beginsel van minimale gegevensverwerking en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Wrakingszaken
Als waarborg voor de rechterlijke onpartijdigheid kent het recht de mogelijkheid van wraking van de rechter in een zaak. Wie een rechter in een zaak wraakt, verzoekt de vervanging van die rechter door een andere rechter. Regels over de wraking van een rechter maken deel uit van het procesrecht van alle drie de rechtsgebieden waarop de Hoge Raad zaken behandelt. Het Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad(verwijst naar een andere website) geeft aanvullende regels voor de behandeling van een verzoek om wraking van één van de leden van de Hoge Raad.
Een uitspraak van 7 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:183) betrof een verzoek tot wraking van een raadsheer die volgens het verzoek vanwege zijn nevenfuncties te veel conflicterende belangen had. De Hoge Raad wees het verzoek af, omdat geen sprake was van vooringenomenheid jegens de verzoekster of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
Een uitspraak van 28 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:478) betrof een verzoek tot wraking van leden van de Hoge Raad op grond van omstandigheden waaruit de verzoeker afleidde dat bij die leden onvoldoende distantie bestond om het beroep in cassatie te kunnen behandelen en beoordelen, en een vooropgezette bedoeling om in zijn nadeel te beslissen. De door verzoeker genoemde omstandigheden hadden betrekking op functies die de gewraakte leden in het (verre) verleden hadden uitgeoefend. De Hoge Raad oordeelde dat die omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat die leden ten aanzien van verzoeker vooringenomen zijn en ook niet dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Een oordeel in deze zin bevat ook de uitspraak van 18 juli 2025, (ECLI:NL:HR:2025:1200). In deze uitspraak werd verder geoordeeld dat het enkele feit dat een rechter eerder in een andere zaak een beslissing heeft gegeven ten aanzien van een procespartij, niet meebrengt dat deze rechter jegens deze procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Twee uitspraken van 12 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1903 en ECLI:NL:HR:2025:1906) gingen onder andere over verzoeken tot wraking van een lid van de Hoge Raad waarin was aangevoerd dat de nevenactiviteiten van dat lid niet waren gepubliceerd in het daarvoor bestemde register. Daaraan lag een technisch probleem ten grondslag, dat ten tijde van de uitspraak was hersteld. De Hoge Raad overwoog dat een afschrift van de nevenfuncties van het desbetreffende lid zoals gepubliceerd met de conclusie van de advocaat-generaal aan verzoekster zijn gezonden. Van de gelegenheid om daarop te reageren heeft zij geen gebruik gemaakt. De enkele omstandigheid dat de nevenfuncties enige tijd niet gepubliceerd waren in het daarvoor bestemde register, leverde naar het oordeel van de Hoge Raad geen zwaarwegende aanwijzing op dat het lid jegens verzoeksters een vooringenomenheid koesterde, en ook niet dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestond.
In vijf zaken heeft de Hoge Raad een wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld:
- HR 30 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1076
- HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1514
- HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1591
- HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1833
- HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1974
- Voorwoord
-
De Hoge Raad in de samenleving
-
De vierde kamer
- Karin Korporaal, managementondersteuner van de procureur-generaal
- Nathalie Kirkels-Vrijman, chef van het kabinet van de procureur-generaal
- Arnoud van Staden ten Brink, medewerker kabinet van de procureur-generaal
- Edwin Bleichrodt, procureur-generaal bij de Hoge Raad
- Monique Wesselink, griffier bij de Hoge Raad
- Vincent van den Brink, vicepresident van de strafkamer
- Dineke de Groot, president van de Hoge Raad en voorzitter van de vierde kamer
-
De Hoge Raad
- Contacten met de wetgever
-
Het parket bij de Hoge Raad
- Cassatie in het belang der wet
- Herziening
- Schorsing en ontslag van rechters, disciplinaire maatregelen
- Strafrechtelijke vervolging van bewindspersonen of Kamerleden
- Toezicht op het Openbaar Ministerie
- Toezicht verwerking persoonsgegevens gerechten en parket bij de Hoge Raad
- Externe klachtzaken
- Interne klachtzaken
- Aanwijzen gerecht
- Betekening van exploten
- Overige correspondentie
- Samenstelling parket 31-12-2025
-
Bedrijfsvoering
-
Annual report
- The Supreme Court and society
- The Supreme Court
- The Civil Division
- The Criminal Division
- The Tax Division
- Law of the European Union
- The Fourth Division
- Complaints and other correspondence
- Contacts with the legislator
- The Procurator General’s Office at the Supreme Court
- Cassation in the interest of the law
- Review
- Supervision of the Public Prosecution Service (OM)
- External complaint cases