De strafkamer van de Hoge Raad heeft in 2025 3.355 uitspraken gedaan. In 2.404 van die gevallen is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De meest voorkomende gronden daarvoor zijn dat geen bezwaren tegen de bestreden uitspraak zijn aangevoerd (1.218) of dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (1.114). Van de 2.137 zaken waarin cassatiemiddelen zijn ingediend, leidden er 502 (23%) tot vernietiging. In het merendeel van de zaken waarin de bestreden uitspraak is vernietigd, was dat uitsluitend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn en heeft de Hoge Raad de zaak zelf afgedaan. In 200 zaken (ruim 9%)  waarin cassatiemiddelen zijn ingediend is de zaak voor een nieuwe behandeling terug- of verwezen.

Totaaloverzicht sector strafrecht

Sector strafrecht Realisatie 2024 Planning 2025 Realisatie 2025
instroom 3.618 3.100 3.240
waarvan met middelen 2.125 1.798 1.717
uitstroom totaal 3.377 3.100 3.533
uitstroom uitspraken 3.235 2.950 3.355
uitstroom overig 142 150 178
conclusies 916 900 974
eindwerkvoorraad 2.720 2.200 2.427
gem. doorlooptijd totaal 259 -- 282

Hieronder worden enige zaken uitgelicht waarin in het verslagjaar uitspraak werd gedaan.

Demonstratierecht

Het demonstratierecht en de mogelijkheden om daarop strafrechtelijk in te grijpen staan volop in de belangstelling. In september 2025 wees de Hoge Raad een reeks arresten waarin het ging om demonstraties in de hal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (ECLI:NL:HR:2025:1313), in een bankkantoor (ECLI:NL:HR:2025:1438) en in de Tweede Kamer (ECLI:NL:HR:2025:1436). De demonstranten waren veroordeeld voor respectievelijk lokaal- en huisvredebreuk en het verstoren van een vergadering van de Tweede Kamer. Omdat de strafbare feiten begaan werden tijdens een demonstratie was in cassatie de vraag aan de orde of de manier waarop strafrechtelijk was opgetreden – dat wil zeggen: de aanhouding, de vervolging en de strafoplegging – verenigbaar was met de vrijheid van vergadering zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad zette in deze arresten een aantal piketpalen uit hoe de rechter in feitelijke instantie moet wegen of het strafrechtelijk optreden, gelet op het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving, noodzakelijk is. Ook als een demonstratie gepaard gaat met het plegen van een strafbaar feit, zoals geen gevolg geven aan een vordering van de politie om te vertrekken, hoeft strafrechtelijke vervolging niet noodzakelijk te zijn. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt benadrukt dat het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat in een (verder vreedzame) demonstratie wordt begaan, proportioneel moet zijn en niet zo ingrijpend dat daarvan een afschrikkende werking uitgaat op anderen die van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering gebruik willen maken. Bij de demonstraties in de hal van het ministerie, de Tweede Kamer en het bankkantoor hadden de demonstranten geweigerd de gebouwen te verlaten en waren zij vervolgens door de politie aangehouden en naar het politiebureau gebracht. Hoewel het hof had overwogen dat hiermee had kunnen worden volstaan, had het geoordeeld dat het verdere politieoptreden alsmede de vervolging en veroordeling van de demonstranten een toelaatbare beperking vormden op het recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Het ging immers om strafbare feiten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten beoordelen of het strafrechtelijk optreden als geheel proportioneel was geweest, en zo dit niet het geval was, de demonstranten had moeten ontslaan van alle rechtsvervolging omdat een strafvervolging dan in strijd is met art. 10 en 11 van het EVRM. De arresten van het hof werden vernietigd en de behandeling van de zaken in hoger beroep moet worden voortgezet.

Verschoningsrecht van (verdachte) geheimhouders

In het jaarverslag van 2024 is aandacht besteed aan uitspraken van de Hoge Raad over de reikwijdte van het functioneel verschoningsrecht. Dit is het recht van bijvoorbeeld advocaten, artsen en notarissen om gegevens en informatie van iedereen die zich tot hen wendt geheim te houden, zodat hun cliënten niet hoeven te vrezen dat informatie ongewild naar buiten komt en bijvoorbeeld bij de opsporingsinstanties belandt. Het verschoningsrecht heeft ook betrekking op gegevens die elders zijn opgeslagen, bijvoorbeeld bij een aanbieder van een communicatiedienst. Politie en justitie moeten inbreuken op het verschoningsrecht zo veel mogelijk voorkomen. Dat dit niet eenvoudig is blijkt uit een aantal zaken waarin de Hoge Raad in 2025 uitspraak heeft gedaan en die van belang zijn voor de verdere rechtsontwikkeling op dit gebied. Als de verschoningsgerechtigde geheimhouder zelf verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit samen met zijn cliënt kan dit een zeer uitzonderlijke omstandigheid zijn op grond waarvan het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van waarheidsvinding. Dan kan van het door de politie onderschepte berichtenverkeer van de verdachte geheimhouder door justitie kennis worden genomen. Dit geldt ook als het gaat om communicatie die verband houdt met “een normale advocaat-cliënt relatie”, als die informatie kan dienen om de waarheid aan het licht te brengen (ECLI:NL:HR:2025:302). Daarbij moet de rechtbank erop toezien dat de inbreuk die op het verschoningsrecht wordt gemaakt niet verder gaat dan strikt nodig is, zo oordeelde de Hoge Raad na een conclusie van advocaat-generaal Frielink in een geval van een verdachte notaris (ECLI:NL:HR:2025:446). Ook de belangen van andere cliënten dan de cliënt die betrokken is bij het strafbare feit waarvan de verschoningsgerechtigde wordt verdacht moeten daarbij worden beschermd, zoals advocaat-generaal Van Wees ook concludeerde (ECLI:NL:HR:2025:1788). Bij grote hoeveelheden (digitale) stukken of gegevens moet onder de verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris een filtering plaatsvinden van stukken of gegevens die wél en niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen en kan de rechter-commissaris bevelen dat gegevens die onder het verschoningsrecht vallen worden vernietigd of digitaal ontoegankelijk worden gemaakt zodat deze geen rol kunnen spelen in het strafproces.

Verzoeken tot het horen van getuigen bij eindpleidooi: vertragingstactiek?

Op 14 oktober 2025 deed de Hoge Raad uitspraak in drie zaken (ECLI:NL:HR:2025:1519, ECLI:NL:HR:2025:1555 en ECLI:NL:HR:2025:1556) waarin pas bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting van het hof bij pleidooi (voorwaardelijk) werd verzocht tot het horen van belastende getuigen die nog niet eerder door de verdediging waren gehoord. Hoewel de rechter zo’n verzoek in beginsel moet toewijzen, ook als er geen onderbouwing wordt gegeven, wezen de betrokken hoven de verzoeken af omdat de verdediging het verzoek eerder had kunnen doen of omdat de verdediging ongemotiveerd terugkwam op het eerder ingenomen standpunt dat nader onderzoek niet nodig was. De late verzoeken waren volgens de hoven een onacceptabel gebruik van processuele middelen en schadelijk voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het kan niet de bedoeling zijn dat zulke ontijdige verzoeken niet nader hoeven te worden gemotiveerd, aldus de hoven.
 De advocaten-generaal Keulen, Van Kempen en Spronken gaven in hun conclusies aanzetten tot nuanceringen van de rechtsopvattingen van de hoven. De Hoge Raad oordeelde als volgt.  Alleen als de verdediging in een eerdere fase uitdrukkelijk heeft afgezien van nader onderzoek, of als de verdediging op het moment dat de rechter vraagt of er nog onderzoekswensen zijn, er duidelijk op is gewezen dat het niet opgeven van wensen wordt opgevat als het niet hebben ervan, kan van de verdediging een nadere toelichting worden verlangd bij een alsnog op een laat moment gedaan verzoek om een belastende getuige te horen. De enkele omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerdere gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, kan de afwijzing van zo’n verzoek in een laat stadium niet dragen.

Invloed EU-recht: onderzoek aan smartphones

Op 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) is de Hoge Raad ingegaan op de betekenis van uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder de zaak CG/Bezirkshauptmannschaf Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830). Daarin gaat het om de eisen die gesteld worden aan onderzoek door politie en justitie aan elektronische gegevensdragers zoals smartphones. Naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad, na conclusie van advocaat-generaal Harteveld, zijn eerdere rechtspraak bijgesteld en kort samengevat geoordeeld dat als de toegang tot bijvoorbeeld een smartphone het risico oplevert van een ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker, voorafgaande toetsing door de rechter nodig is. Dat is niet het geval bij een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar daarvan is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens).