De civiele kamer van de Hoge Raad heeft in 2025 276 uitspraken gedaan. In 180 uitspraken is het beroep in cassatie verworpen (waarvan 104 met toepassing van artikel 81RO). 77 uitspraken leidden tot vernietiging. Verder is in 11 prejudiciële vragen is uitspraak gedaan.

Totaaloverzicht sector civiel recht

Sector civiel recht Realisatie 2024 Planning 2025 Realisatie 2025
instroom 347 350 319
uitstroom totaal 352 350 294
uitstroom uitspraken 335 -- 276
uitstroom overig 17 -- 18
conclusies 344 350 284
eindwerkvoorraad 309 -- 335
gem. doorlooptijd totaal 372 -- 363

De Hoge Raad beantwoordde in het kader van de rechtsvorming en de rechtseenheid in 2025 verschillende prejudiciële vragen van rechtbanken en gerechtshoven. Deze vragen hadden betrekking op de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst (ECLI:NL:HR:2025:319), op ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bij samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met ‘overige dagen’ (ECLI:NL:HR:2025:320), op verzoeken tot inzage in dossiers van vaak lang geleden afgeronde familie- en jeugdprocedures (ECLI:NL:HR:2025:723), op de procedure voor vaststelling van kosten van levensonderhoud voor jongmeerderjarigen (ECLI:NL:HR:2025:724), op de oneerlijkheid van een proceskostenbeding (ECLI:NL:HR:2025:820), op erfrecht en meerderjarigenbewind (ECLI:NL:HR:2025:758), op de positie van kinderen bij ontruiming van een huurwoning (ECLI:NL:HR:2025:1799), op de rechtspositie van een bestuurder van een Curaçaose vennootschap met het oog op aansprakelijkheid voor belastingschulden (ECLI:NL:HR:2025:1657) en op de rol van de rechter bij plaatsing van een minderjarige in een pleeggezin (ECLI:NL:HR:2025:1948).

Een van deze uitspraken gaat over de vraag of volwassen geworden kinderen inzage kunnen krijgen in de dossiers van de familie- en jeugdprocedures over hen uit het verleden (ECLI:NL:HR:2025:723). Daarop heeft de Hoge Raad geantwoord dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens meebrengt dat de Staat moet voorzien in een  procedure waarmee iemand ten aanzien van wie in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen zijn getroffen toegang kan krijgen tot relevante informatie om zijn kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Er zijn nu weliswaar wettelijke mogelijkheden om bepaalde informatie (zoals uitspraken in afgesloten procedures) ter verkrijgen, maar dat betekent niet dat iemand steeds alle relevante informatie kan krijgen. Het is aan de wetgever om keuzes te maken over de inrichting van een effectieve en toegankelijke procedure daarvoor.

De positie van kinderen is verder aan de orde gekomen bij de beantwoording van vragen over ontruiming van woningen waarin (ook) kinderen wonen. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter op grond van art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind rekening moet houden met de belangen van het kind. De rechter moet dan ook onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is.

Soms gaven aan de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen aanleiding voor een dialoog met het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Zo stelde de Hoge Raad ter beantwoording van aan hem gestelde prejudiciële vragen op zijn beurt prejudiciële vragen aan het HvJEU (ECLI:NL:HR:2025:1081 inzake het proceskostenbeding en ECLI:NL:HR:2025:945 inzake toepasselijk recht op kartelschadevorderingen. En soms leidde de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie tot beantwoording van prejudiciële vragen die een rechtbank aan de Hoge Raad had gesteld  (ECLI:NL:HR:2025:1008 inzake de mogelijkheid om achteraf te betalen in een webwinkel).

Opmerkelijk was in 2025 dat een flink aantal uitspraken van de civiele kamer zaken betrof die samenhangen met het strafrecht of het strafproces. Het ging daarbij onder meer over een schadevergoedingsvordering ter zake van hetzelfde feitencomplex als waarover een strafzaak loopt (ECLI:NL:HR:2025:796), over kwesties van tenuitvoerlegging in Nederland van een in een ander land opgelegde straf (ECLI:NL:HR:2025:88 en 89), over toepasselijkheid van civielrechtelijke bepalingen over bedrog en dwaling in relatie tot een strafrechtelijke transactie (ECLI:NL:HR:2025:898), over het recht op een mondelinge behandeling in hoger beroep na afwijzing van een vordering van een benadeelde partij in het strafproces (ECLI:NL:HR:2025:1153) en over uitleveringsrecht (ECLI:NL:HR:2025:166, 592, 664 en 1950). Tegelijkertijd valt waar te nemen dat de strafkamer steeds vaker civielrechtelijke vragen beantwoordt, soms met ook leden van de civiele kamer in de zetel en soms na een conclusie van een advocaat-generaal die is verbonden aan het civiele parket. Het ging daarbij in 2025 bijvoorbeeld om de vraag of iemand die niet bij bewustzijn is aanspraak heeft op smartengeld (ECLI:NL:HR:2025:1055 resp. ECLI:NL:PHR:2025:483).

Voorts heeft de Hoge Raad in 2025 voor het eerst uitspraken gedaan in zaken over de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (WAMCA) (ECLI:NL:HR:2025:321 en ECLI:NL:HR:2025:388).

Uitspraken die aandacht trokken in de media waren onder meer de uitspraak over (niet) kosteloze anticonceptie voor vrouwen ouder dan 18 jaar (ECLI:NL:HR:2025:321) en over de uitvoer van F-35 onderdelen naar Israël (ECLI:NL:HR:2025:1435).

In het kader van de rechtsvormende taak zijn ook van belang de zaken waarin cassatie in het belang der wet was gevorderd. Een vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een uitspraak die onherroepelijk is geworden, en wordt ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De uitkomst van een vordering tot cassatie in het belang der wet brengt geen nadeel toe aan de rechten van de partijen in de zaak, maar is wel van belang voor het recht. In 2025 werden met een vordering tot cassatie in het belang der wet onder meer vragen aan de Hoge Raad voorgelegd over wraking van een lid van een tuchtcollege (ECLI:NL:HR:2025:87), over het begrip ‘belanghebbende’ bij aanvulling van een register van de burgerlijke stand (ECLI:NL:HR:2025:766) en over procesrecht en erfrecht (ECLI:NL:HR:2025:511).

De Hoge Raad is ook hoogste rechter in zaken die afkomstig zijn uit het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Dat betekent dat een beroep in cassatie tegen uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan de Hoge Raad kan worden voorgelegd. Meestal komt het toe te passen recht overeen met het recht in het Europese deel van het Koninkrijk, maar dat is niet in alle gevallen zo. Ook het procesrecht is niet in alle opzichten gelijk. Daarnaast moet de Hoge Raad bij de uitleg en toepassing van rechtsregels rekening houden met de mogelijkheid dat maatschappelijke opvattingen in het Caribische deel van het Koninkrijk kunnen afwijken van de opvattingen in het land Nederland. In 2025 deed de civiele kamer onder meer uitspraak over het ontbreken van een regeling voor toelating van civiele advocaten uit het Caribisch deel van het Koninkrijk tot advocaat bij de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:518)