Schorsing en ontslag van rechters en disciplinaire maatregelen

In bepaalde gevallen kunnen rechters worden geschorst of ontslagen door de Hoge Raad, bijvoorbeeld bij ziekte, gebleken ongeschiktheid voor het rechterlijk ambt of een veroordeling wegens misdrijf. Ook kan de Hoge Raad een disciplinaire maatregel opleggen, bijvoorbeeld als een rechter ernstig nadeel heeft toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het daarin te stellen vertrouwen. De wettelijke procedure houdt in dat de Hoge Raad een beslissing tot schorsing, ontslag of oplegging van een disciplinaire maatregel neemt op vordering van de procureur-generaal. De vordering geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een verzoek van de president van het gerecht waar de desbetreffende rechter werkzaam is. De disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping kan ook worden opgelegd door de gerechtspresident zelf.

In de verslagperiode is geen vordering bij de Hoge Raad ingediend tot schorsing of ontslag van een rechter dan wel tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.

In de tweede helft van het verslagjaar is een verzoek van een gerechtspresident ingekomen tot het indienen van een vordering tot ontslag van een rechter-plaatsvervanger die geruime tijd niet was opgeroepen nadat de opleiding niet met goed gevolg was afgerond. Het ontslag van een rechter-plaatsvervanger geschiedt, net als dat van andere rechters, door de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal. Aan het einde van het verslagjaar was het verzoek nog in behandeling.

Het komt voor dat incidenten waarbij een rechter is betrokken onder de aandacht komen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Ook als die gebeurtenissen geen aanleiding geven om een vordering tot een sanctie in te stellen, kunnen zij wel aanleiding zijn voor een evaluerend gesprek van de procureur-generaal met de betrokken rechter.

In één zaak was aangifte tegen een rechter gedaan wegens schending van het ambtsgeheim. Het Openbaar Ministerie seponeerde de zaak. De gerechtspresident bracht de kwestie onder de aandacht van de procureur-generaal. De procureur-generaal heeft een reflectief gesprek gevoerd met de betrokken rechter.

Andere personen dan gerechtspresidenten kunnen de procureur-generaal verzoeken gebruik te maken van zijn ambtshalve bevoegdheid tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad. Een dergelijk persoonlijk verzoek heeft veelal een ander karakter dan een rechtspositioneel verzoek van een gerechtspresident. In de verslagperiode deden zich twee gevallen voor. In één geval heeft de procureur-generaal gesprekken met betrokkenen gevoerd. De behandeling was aan het einde van het verslagjaar nog niet afgerond. In het andere geval betrof de melding optreden van de rechter buiten diens rechterlijke functie, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder. De procureur-generaal zag in de door de rechtzoekende gestelde gedragingen van de rechter/bewindvoerder geen wettelijke grond voor oplegging van een disciplinaire maatregel.