Veroordelingen voor betrokkenheid bij omkoping bij woningcorporaties Vestia, Portaal en De Woonplaats blijven in stand

9 juni 2026

De veroordelingen van drie verdachten voor betrokkenheid bij omkoping bij woningcorporaties Vestia, Portaal en De Woonplaats blijven in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

Eén van de verdachten was de ‘treasury & control’ manager van Vestia. In die hoedanigheid sloot hij voor Vestia geldleningsovereenkomsten en derivaatcontracten met banken af. De verdachte schakelde daarbij – tegen de afspraken in – twee medeverdachten, handelend onder de naam F.F. (gepseudonimiseerd), in als bemiddelaar/broker bij het afsluiten van deze contracten met banken. Vestia was daarvan niet op de hoogte. Wanneer door tussenkomst van F.F. met een bank een contract werd afgesloten, ontving F.F. daarvoor een ‘fee’ van de bank. Een deel van die fees werd vervolgens doorbetaald aan de verdachte op een separate bankrekening. In totaal heeft de verdachte € 10.419.866,- ontvangen. De verdachte heeft bij Vestia geen melding van deze betalingen gedaan. Dit leidde tot het strafrechtelijk onderzoek Klaproos. Deze verdachte is door het hof veroordeeld voor passieve niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. De man kreeg een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Naar aanleiding van het onderzoek Klaproos met betrekking tot omkooppraktijken in relatie tot door Vestia afgesloten derivaatcontracten, zijn ook onderzoeken ingesteld naar de advisering over derivaattransacties bij andere woningcorporaties. Dit resulteerde in het strafrechtelijk onderzoek Egelantier. De andere twee verdachten zijn betrokken in dit onderzoek. Dit onderzoek heeft betrekking op de woningbouwcorporaties Portaal en De Woonplaats. Eén van de verdachten werkte als extern adviseur van de treasury commissie van beide woningcorporaties. In die hoedanigheid trad hij op als lid van de treasury commissie en adviseerde hij de corporatie op het gebied van financiële strategie. De verdachte verrichtte zijn advieswerkzaamheden vanuit een vennootschap. Hij introduceerde F.F. als bemiddelaar bij de woningcorporaties. Als de woningcorporaties door tussenkomst van F.F. een transactie sloten met een bank, kreeg de verdachte een deel van de daaruit voortvloeiende fee betaald. De verdachte had de woningcorporaties niet ingelicht over deze afspraak. Hij werd door het hof veroordeeld voor passieve niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. Hij kreeg zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 200 uur taakstraf opgelegd. De andere medeverdachte is een van de twee mannen die betrokken was bij F.F.. Het hof heeft deze verdachte veroordeeld voor het medeplegen van actieve niet-ambtelijke omkoping. Hij kreeg van het hof 200 uur taakstraf.

Cassatieklachten

De cassatieklachten van de hoofdverdachte in de Vestia-zaak richtten zich tegen de bewezenverklaring van valsheid in geschrift en tegen de bewezenverklaring van gewoontewitwassen. In cassatie is niet opgekomen tegen de bewezenverklaring van niet-ambtelijke omkoping.

De cassatieklachten in de andere twee zaken richtten zich tegen de door het hof bewezenverklaarde feiten, waaronder de niet-ambtelijke omkoping met betrekking tot Portaal en De Woonplaats. In de zaak van de extern adviseur is ook geklaagd over de bewezenverklaring van valsheid in geschrift.

Advies AG

De AG was van opvatting dat de cassatieklachten in alle drie de zaken niet kunnen slagen. Ze concludeerde dan ook tot verwerping van de cassatieberoepen. In verband met de duur van de procedure adviseerde ze de Hoge Raad de opgelegde straffen naar de gebruikelijke maatstaf te verminderen.

Oordeel Hoge Raad

In de zaak van de extern adviseur (verdachte in het onderzoek Egelantier), oordeelt de Hoge Raad als volgt. Bij valsheid in geschrift is strafbaar gesteld ‘hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst met het oogmerk het als echt en onvervalst te gebruiken’. Het hof heeft vastgesteld dat De Woonplaats intern onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de parlementaire enquête over de Vestia-affaire en de betrokkenheid daarbij van F.F.. In dat kader heeft De Woonplaats de verdachte gevraagd om een schriftelijke verklaring over de relatie tussen zijn vennootschap en F.F.. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte De Woonplaats daarop een brief heeft gestuurd, waarin hij ‘valse, onjuiste informatie’ heeft gegeven met betrekking tot het niet ontvangen van vergoedingen. Volgens het hof is deze informatie voor De Woonplaats van betekenis geweest om in dit onderzoek haar positie te bepalen. De Hoge Raad vindt dat het hof over de genoemde brief kon oordelen dat sprake is van een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een ‘geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’. De cassatieklacht slaagt dan ook niet.

Dat geldt ook voor de andere cassatieklachten in deze zaak en voor de cassatieklachten in de zaak van de medeverdachte in het onderzoek Egelantier en in de zaak tegen de hoofdverdachte in het onderzoek Klaproos. De Hoge Raad heeft deze klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat ze niet tot vernietiging van de uitspraken van het hof kunnen leiden en geen juridische belangrijke nieuwe vragen oproepen die moeten worden beantwoord.

Met het oordeel van de Hoge Raad zijn de drie veroordelingen definitief. In verband met de duur van de procedure worden de opgelegde straffen verminderd tot 29 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk (hoofdverdachte, onderzoek Klaproos), en voor de twee verdachten in het onderzoek Egelantier respectievelijk tot een taakstraf van 180 uur en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor de extern adviseur en voor de medeverdachte tot een taakstraf van 180 uur.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:870

ECLI:NL:HR:2026:889

ECLI:NL:HR:2026:890