Hoge Raad: veroordelingen en opgelegde (levenslange) gevangenisstraffen in zaak Eris definitief

9 juni 2026

In zijn oordeel betrekt de Hoge Raad een recente uitspraak van het Straatsburgse hof (van 21 april 2026) over het Nederlands herbeoordelingsstelsel voor levenslanggestraften

De veroordelingen en opgelegde (levenslange) gevangenisstraffen in de zaken tegen tien verdachten in de zogenoemde zaak Eris blijven in stand en zijn daarmee definitief. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

Het onderzoek Eris gaat over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017. Daarnaast gaat het om voorbereidingen voor het vermoorden van een aantal andere personen. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie (OM) had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het opsporingsonderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de (hoofd)verdachte (dat is de oprichter en leider van de motorclub Caloh Wagoh) werden diverse computers en mobiele (PGP-)toestellen aangetroffen. Hierop vond de politie onder meer (opnamen van) chats die de hoofdverdachte met anderen over liquidaties en opdrachten tot liquidaties had gevoerd. In totaal zijn in het onderzoek Eris 21 personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. Het hof legde aan drie verdachten een levenslange gevangenisstraf op. Zij gaven volgens het hof opdrachten voor een aantal van de gepleegde liquidaties, ook voor liquidaties die uiteindelijk niet zijn uitgevoerd. De andere verdachten kregen voor hun rol gevangenisstraffen variërend van één jaar tot 28 jaar.

In elf zaken is bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld. In één zaak is de verdachte inmiddels overleden. Het cassatieberoep in die zaak is al eerder niet-ontvankelijk verklaard.

Cassatieklachten

De advocaten vroegen de Hoge Raad de veroordelingen te vernietigen. In cassatie is in de zaken van de drie verdachten die tot levenslang zijn veroordeeld geklaagd over het oordeel van het hof dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) oplevert. In dat artikel is onder meer het verbod op een onmenselijke bestraffing vastgelegd.

Verder is geklaagd over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Ook is in cassatie opgekomen tegen de beslissing van het hof om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die het OM en de politie hebben begaan bij het onderzoek naar informatie in de mobiele toestellen van de verdachten en bij het opvragen van gegevens bij providers. De klachten in cassatie houden in dat het hof op basis van de arresten Prokuratuur en Landeck van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan die vormverzuimen sancties, zoals bewijsuitsluiting, had moeten verbinden.

Conclusies advocaat-generaal (AG)

De AG adviseerde de Hoge Raad op 24 maart 2026 de veroordelingen en de opgelegde straffen in de zaken tegen de tien verdachten in stand te laten.

Oordeel Hoge Raad

Levenslange gevangenisstraf
De Hoge Raad heeft zich in eerdere uitspraken al uitgelaten over de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met de eisen die, gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM), voortvloeien uit artikel 3 EVRM. Deze uitspraken houden kort gezegd in, dat in het Nederlandse recht is voorzien in een zodanig stelsel van herbeoordeling dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM.

Het EHRM heeft recent, op 21 april 2026, uitspraak gedaan naar aanleiding van klachten van zeven personen en die eerder – en dus niet in de Eris-zaken – door de Nederlandse strafrechter tot levenslang waren veroordeeld. Die klachten hielden in de kern in, dat gelet op de Nederlandse wetgeving en praktijk de aan hen opgelegde levenslange gevangenisstraffen zowel juridisch als feitelijk niet voor verkorting in aanmerking komen en dat dit strijd oplevert met artikel 3 EVRM. Het EHRM heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is. Volgens het EHRM zijn de mogelijkheden van een rechterlijke beoordeling in de fase van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf van groot belang als waarborg dat de tenuitvoerlegging zal voldoen aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Het huidige Nederlandse stelsel biedt ook die mogelijkheden. Het gaat in het bijzonder om de beoordeling door de burgerlijke rechter van beslissingen over gratieverlening en de beoordeling door de penitentiaire rechter van beslissingen over de manier van tenuitvoerlegging.

Uit de uitspraak van het EHRM blijkt dat deze vormen van rechterlijke beoordeling toereikend zijn om aan de eisen van artikel 3 EVRM te voldoen. Maar het is van belang dat het EHRM daarnaast tot de conclusie komt dat binnen het Nederlandse stelsel ruimte is voor verdere procedurele verfijning door bijvoorbeeld een rechterlijke beoordeling – in plaats van een beoordeling door de minister – van een eventuele (voorwaardelijke) invrijheidstelling bij de levenslange gevangenisstraf.

De Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak benoemd dat herbeoordeling door de rechter een belangrijke waarborg kan zijn in het licht van artikel 3 EVRM. De Hoge Raad is van oordeel dat het op de weg van de wetgever ligt om (nader) te bepalen of een hierop toegesneden aanpassing van het stelsel van herbeoordeling plaatsvindt. Daarbij is van belang dat de rechtspraak van het EHRM over de levenslange gevangenisstraf in de afgelopen tien jaar een ontwikkeling vertoont waar het gaat om de waarborgen waarmee de oplegging en de tenuitvoerlegging van die straf zijn omgeven. Het EHRM heeft in zijn uitspraak van 21 april 2026 expliciet als waarborg benoemd dat de Nederlandse rechter grondwettelijk verplicht is acht te slaan op artikel 3 EVRM en op de rechtspraak van het EHRM zoals deze zich in de toekomst kan ontwikkelen.

Het hof heeft in de voorliggende zaak geoordeeld dat de levenslange gevangenisstraf geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert. Dat oordeel is, ook gelet op de uitspraak van het EHRM, volgens de Hoge Raad juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd.

Andere cassatieklachten

De andere cassatieklachten in deze zaken en in de zaken tegen de andere verdachten die niet tot levenslang werden veroordeeld, slagen niet. De Hoge Raad heeft deze klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat ze niet tot vernietiging van de uitspraken van het hof kunnen leiden en geen juridische belangrijke nieuwe vragen oproepen die moeten worden beantwoord.

Met het oordeel van de Hoge Raad zijn de veroordelingen en de opgelegde straffen in alle tien zaken definitief.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:826

ECLI:NL:HR:2026:899

ECLI:NL:HR:2026:900

ECLI:NL:HR:2026:897

ECLI:NL:HR:2026:898

ECLI:NL:HR:2026:896

ECLI:NL:HR:2026:892

ECLI:NL:HR:2026:893

ECLI:NL:HR:2026:894

ECLI:NL:HR:2026:895