Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Paragraaf 1.1 Inwendige dienst

1.1.1.Deze paragraaf bevat het reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad der Nederlanden als bedoeld in artikel 75, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
1.1.2.De Hoge Raad kent vijf meervoudige en drie enkelvoudige kamers.
1.1.3.De eerste, tweede en derde meervoudige kamer behandelen en beslissen zaken volgens de wet in een combinatie van drie of vijf leden (‘de zetel’).
1.1.4.De overige leden van een kamer van de Hoge Raad zijn niet belast met de behandeling en beslissing van de zaak. Wel kunnen deze overige leden (de ‘reservisten’) met het oog op het bewaken van de rechtseenheid in de kamer deelnemen aan de beraadslaging over zaken in raadkamer.
1.1.5.In het Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad der Nederlanden worden nadere regels gesteld over de deelname aan de behandeling en de beraadslaging.
1.1.6.De eerste meervoudige of civiele kamer neemt kennis:
a.van het beroep in cassatie in burgerlijke zaken, als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de rechtelijke organisatie;
b.van het beroep in cassatie in onteigeningszaken en in zaken betreffende de verschuldigdheid krachtens bijzondere wetten van een schadeloosstelling door enig overheidslichaam verschuldigd wegens gebruik of beperking van eigendom;
c.van het beroep in cassatie, vermeld in artikel 70 van de Wet inrichting landelijk gebied;
d.van de prejudiciële vragen, als bedoeld in artikel 81a van de Wet op de rechterlijke organisatie in verbinding met artikel 392 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering;
e.van alle jurisdictiegeschillen, vermeld in artikel 77 van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover die de onderwerpen betreffen waarvan deze kamer op grond van dit reglement kennis neemt.
1.1.7.De tweede meervoudige of strafkamer neemt kennis:
a.van strafzaken, als bedoeld in artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie, met uitzondering van de behandeling op de terechtzitting;
b.van het beroep in cassatie in strafzaken, als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c.van het beklag, vermeld in artikel 13a van het Wetboek van strafvordering;
d.van de aanvraag tot herziening, vermeld in de Achtste Titel van Boek III van het Wetboek van strafvordering;
e.van de aanwijzing van een ander gerecht, aan de Hoge Raad opgedragen in de Derde Titel van Boek IV van het Wetboek van strafvordering;
f.van het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, bedoeld in de Vierde Afdeling van de Eerste Titel van Boek V van het Wetboek van strafvordering;
g.van het beroep in cassatie in en de verdere behandeling van zaken, als bedoeld in artikel 31 van de Uitleveringswet;
h.van het beroep in cassatie in zaken, als bedoeld in artikel 32 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging van strafvonnissen;
i.van alle jurisdictiegeschillen, vermeld in artikel 77 van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover die de onderwerpen betreffen waarvan deze kamer op grond van dit reglement kennis neemt;
j.verzoeken om gratie in de gevallen waarin het advies door de Hoge Raad moet worden uitgebracht.
1.1.8.De derde meervoudige of belastingkamer neemt kennis:
a.van het beroep in cassatie van uitspraken van een bestuursrechter als bedoeld in artikel 1:4, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in dit reglement niet is voorzien dat een andere kamer van de Hoge Raad daarvan kennis neemt;
b.van het verzoek tot herziening van alsmede het verzet tegen een arrest dat door deze kamer gewezen is;
c.van de prejudiciële vragen, als bedoeld in artikel 81a van de Wet op de rechterlijke organisatie in verbinding met afdeling 2a van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
d.van alle jurisdictiegeschillen, vermeld in artikel 77 van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover die de onderwerpen betreffen waarvan deze kamer op grond van dit reglement kennis neemt.
1.1.9.De vierde meervoudige kamer neemt kennis:
a.van de vorderingen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad in de zaken, als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
b.van de vorderingen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad tot het instellen van een onderzoek, als bedoeld in afdeling 1a van hoofdstuk 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c.van beroepen op grond van artikel 39 Wet op de rechterlijke organisatie;
d.van beroepen op grond van artikel 108 Wet op de rechterlijke organisatie;
e.van verzoeken tot wraking of verschoning van één of meer van de leden van de Hoge Raad.
1.1.10.De vijfde meervoudige kamer, waarvan alle leden van de Hoge Raad deel uitmaken, is belast met de behandeling ter terechtzitting van de gedingen als bedoeld in artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De zetel van de vijfde kamer bestaat uit tien leden en wordt als volgt samengesteld: de president, één vicepresident die tevens deel uitmaakt van de eerste of civiele kamer, één vicepresident die tevens deel uitmaakt van de tweede of strafkamer, één vicepresident die tevens deel uitmaakt van de derde of belastingkamer, aangevuld met vier leden die tevens deel uitmaken van de tweede of strafkamer, één lid dat tevens deel uitmaakt van de eerste of civiele kamer en één lid dat tevens deel uitmaakt van de derde of belastingkamer. Leden van de tweede meervoudige of strafkamer die in dezelfde zaak al aan de behandeling hebben deelgenomen op de voet van artikel 1.1.7, aanhef en letter a, maken geen deel uit van de zetel. Indien de president verhinderd is, zal deze worden vervangen door een vicepresident die tevens deel uitmaakt van de tweede of strafkamer. Voor zover de bezetting niet al volgt uit het voorgaande, dan wel ter vervanging van leden wegens verhindering, worden de leden die deel uitmaken van de zetel aangewezen door middel van een loting te verrichten door de president in tegenwoordigheid van de procureur-generaal. Van de loting wordt proces-verbaal opgemaakt.
1.1.11.Een voorzitter van een kamer die van oordeel is dat zijn kamer op grond van dit reglement niet behoort kennis te nemen van een bepaalde bij zijn kamer aangebrachte zaak, verwijst deze zaak naar de kamer die naar zijn oordeel daarvan wel behoort kennis te nemen.
1.1.12.Een voorzitter van een kamer die van oordeel is dat een bepaalde bij zijn kamer aangebrachte zaak, waarvan zijn kamer op grond van dit reglement kennisneemt, beter door een andere kamer kan worden beslist, verwijst deze zaak naar die kamer. Die kamer beslist daarover vervolgens in de hoedanigheid van de op grond van dit reglement daartoe aangewezen kamer, met inachtneming van alle wettelijke voorschriften en overige procesrechtelijke regels die deze kamer in acht zou hebben moeten nemen.
1.1.13.De voorzitter van een kamer kan, indien hij dit met het oog op een goede behandeling van de bij zijn kamer aanhangige zaak dienstig acht, de voorzitter van een andere kamer verzoeken om één of meer leden van die andere kamer deel uit te laten maken van de kamer waarbij die zaak aanhangig is.
1.1.14.De voorzitter van een kamer wijst uit de leden van zijn kamer een lid aan dat dienst doet als enkelvoudige kamer en die de bevoegdheden uitoefent als bedoeld in dit reglement.
1.1.15.In alle gevallen waarin het bepaalde in deze paragraaf niet voorziet, beslist de president van de Hoge Raad.
1.1.16.De griffier van de Hoge Raad draagt ervoor zorg dat een bijgewerkt overzicht van de samenstelling van de meervoudige kamers wordt gepubliceerd op de website van de Hoge Raad.

Paragraaf 1.2 Zaaksbehandeling en uitspraken

1.2.1. Uitspraken van de civiele kamer en de belastingkamer worden in de regel gedaan op vrijdag om 10.00 uur. Uitspraken van de strafkamer worden in de regel gedaan op dinsdag om 12.30 uur.
1.2.2.De enkelvoudige civiele kamer behandelt aanhangige zaken, schriftelijk of digitaal, op vrijdag om 10.00 uur. De enkelvoudige strafkamer behandelt aanhangige zaken op dinsdag om 12.30 uur.
1.2.3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1 en artikel 1.2.2 worden geen uitspraken gedaan en worden aanhangige zaken niet behandeld op een dag die valt op een in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet genoemde algemeen erkende feestdag.
1.2.4.De president kan, gehoord de procureur-generaal, bepalen dat er evenmin uitspraken worden gedaan of aanhangige zaken worden behandeld op andere dagen, waaronder begrepen de met een algemeen erkende feestdag gelijkgestelde dagen als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Algemene termijnenwet.
1.2.5.Uiterlijk 1 oktober van elk kalenderjaar wordt het in artikel 1.2.4 bedoelde besluit gepubliceerd.

Paragraaf 1.3 Openingstijden

1.3.1.De centrale balie is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.30 tot 12.00 uur en van 13.00 tot 16.30 uur.
1.3.2.De griffies van de onderscheiden kamers zijn telefonisch bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 08.30 tot 12.00 uur en van 13.00 tot 16.30 uur.
1.3.3.Voor zaken waar recht op inzage bestaat, kan inzage plaatsvinden tijdens de openingstijden van de centrale balie, nadat daartoe met de griffie van de desbetreffende kamer een afspraak is gemaakt.
1.3.4.De artikelen 1.2.3 en 1.2.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de openingstijden van de centrale balie en de griffies van de onderscheiden kamers.

HOOFDSTUK 2 HET WEBPORTAAL VAN DE HOGE RAAD

Paragraaf 2.1 Begripsbepalingen

2.1.1 In dit hoofdstuk wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a.
Procesdeelnemer:
een partij, een belanghebbende of een procesvertegenwoordiger in een procedure bij de Hoge Raad.
b.
Procesdeelnemer die digitaal procedeert:
een procesdeelnemer zoals bedoeld in artikel 2.2.1 van dit reglement.
c.
Procesvertegenwoordiger:
een advocaat bij de Hoge Raad, een advocaat, een professioneel gemachtigde of een gemachtigde.
d.
Proceshandeling:
de handeling die ingevolge een wettelijk of ander voorschrift of een rechterlijke beslissing door een procesdeelnemer wordt verricht in een procedure bij de Hoge Raad.
e.
Webportaal:
de beveiligde digitale omgeving waarin procesdeelnemers toegang hebben tot het digitaal systeem van de Hoge Raad.
f.
Inlogmiddel:
een inlogmiddel dat bij of krachtens de wet is toegelaten voor de toegang tot het webportaal.
g.
Herkenningsnummer:
een aan een inlogmiddel gekoppelde identificatie.
h.
Website:
de website van de Hoge Raad.
i.
Digitaal systeem:
het digitale systeem voor gegevensverwerking van de Hoge Raad, waarin zaaks- en persoonsgegevens worden geregistreerd, berichten worden geplaatst en verzonden, proceshandelingen worden verricht en stukken ter beschikking worden gesteld.
j.
Toegangscode:
de door de Hoge Raad verstrekte code waarmee een procesdeelnemer toegang kan krijgen tot een zaak.
k.
Digitaal dossier:
het geheel van zaakgegevens, persoonsgegevens, documenten en berichten die door procesdeelnemers en (medewerkers van) de Hoge Raad in een zaak bij de Hoge Raad zijn ingediend, geplaatst en verzonden.
l.
Zaakgegevens:
registratieve gegevens van de zaak in cassatie en in de voorgaande instanties.
m.
Bericht:
een mededeling in het digitaal systeem.
n.
Document:
een digitaal bestand dat een procesdeelnemer meezendt als bijlage bij een bericht aan de Hoge Raad of een door de Hoge Raad in het digitale dossier geplaatst digitaal bestand.

Paragraaf 2.2 Toegang tot het webportaal van de Hoge Raad

2.2.1Een procesdeelnemer die ingevolge wettelijk voorschrift verplicht is in een procedure bij de Hoge Raad digitaal te procederen, dan wel anderszins ingevolge dit reglement digitaal procedeert, maakt daartoe gebruik van het webportaal van de Hoge Raad.
2.2.2Een procesdeelnemer heeft toegang tot het webportaal als hij beschikt over een inlogmiddel, met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald.
2.2.3Een procesdeelnemer die een proceshandeling wil verrichten in het webportaal, dient te beschikken over het daartoe vereiste inlogmiddel.
2.2.4Een procesdeelnemer heeft in het webportaal toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaak waarin hij procesdeelnemer is als zijn herkenningsnummer bij de Hoge Raad bekend is, tenzij die toegang is beperkt bij of krachtens wettelijk voorschrift, ingevolge een voorschrift in een procesreglement, of ingevolge een rechterlijke beslissing.
2.2.5Een procesdeelnemer die toegang heeft tot het webportaal, is verantwoordelijk voor de naleving van de bij of krachtens de Wet Bescherming Persoonsgegevens gestelde voorschriften.

Paragraaf 2.3 Gebruik webportaal van de Hoge Raad

2.3.1Een procesdeelnemer die digitaal procedeert, verricht alle proceshandelingen in het webportaal van de Hoge Raad.
2.3.2Een procesdeelnemer die digitaal procedeert, zendt berichten en documenten aan de Hoge Raad digitaal via het webportaal. Documenten voldoen aan de technische eisen die zijn vermeld op de website van de Hoge Raad.
2.3.3Een procesdeelnemer die digitaal procedeert, levert documenten in het webportaal aan als afzonderlijke digitale bestanden.
2.3.4Voorafgaand aan plaatsing in het digitaal dossier van een in het webportaal ontvangen document, converteert de Hoge Raad het document naar een formaat zoals vermeld op de website van de Hoge Raad. In het digitaal dossier worden alleen berichten en geconverteerde documenten geplaatst.
2.3.5Een procesdeelnemer die digitaal procedeert, kan in het digitaal dossier zaakgegevens, berichten en documenten inzien.
2.3.6Een procesdeelnemer die digitaal procedeert, kan in het webportaal berichten en documenten downloaden.
2.3.7Een procesdeelnemer die in het webportaal een bericht, al dan niet voorzien van een document, heeft verstuurd, kan in het webportaal een ontvangstbevestiging downloaden.
2.3.8Het dossier van de zaak in de vorige instantie(s) wordt in het digitaal dossier getoond indien dat dossier door die instantie(s) in digitale vorm aan de Hoge Raad ter beschikking is gesteld, tenzij bij of krachtens de wet of in dit reglement anders is bepaald.
2.3.9Na de einduitspraak van de Hoge Raad is het digitaal dossier nog zes maanden in het webportaal toegankelijk.

HOOFDSTUK 3 CIVIELE ZAKEN

Paragraaf 3.1 Vorderingszaken

3.1.1 Reikwijdte

3.1.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in alle vorderingszaken waarop van toepassing is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals gewijzigd bij de Wetten van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288, 2016, 289 en 2016, 290.

3.1.2 Onvoorziene gevallen

3.1.2.1 In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

3.1.3 Algemene aspecten van de zaaksbehandeling

3.1.3.1.De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur. Op de voorafgaande werkdag ligt dit overzicht vanaf 15.00 uur ter inzage bij de centrale balie van de Hoge Raad.
3.1.3.2.De beslissingen van de enkelvoudige civiele kamer worden aangetekend op het in artikel 3.1.3.1 bedoelde overzicht, tenzij hierna anders is bepaald of de enkelvoudige civiele kamer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. Het overzicht waarop die beslissingen zijn aangetekend, ligt op de vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement vanaf 15.00 uur ter inzage bij de centrale balie van de Hoge Raad.
3.1.3.3.De enkelvoudige civiele kamer kan zaken ter verdere behandeling en beslissing verwijzen naar de meervoudige kamer.
3.1.3.4.Berichten en documenten die strekken tot het verrichten van een proceshandeling op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement, worden in het webportaal geplaatst bij voorkeur op de voorafgaande werkdag vóór 15.00 uur, doch uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur.
3.1.3.5.Berichten en documenten ter voorbereiding van een door de enkelvoudige civiele kamer op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement te nemen beslissing, waaronder (schriftelijke) verzoeken, worden in het webportaal geplaatst bij voorkeur vóór 15.00 uur op de voorafgaande werkdag, doch uiterlijk vóór 10.00 uur op de desbetreffende vrijdag.

3.1.4 Aanbrengen van een zaak

3.1.4.1.Het aanbrengen van een nieuwe zaak geschiedt door indiening van de procesinleiding in het webportaal.
3.1.4.2.Bij de procesinleiding worden gevoegd:
a.de uitspraak of uitspraken waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
b.de uitspraak of uitspraken in eerste aanleg;
c.de aanbiedingsbrief, waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht;
d.in voorkomend geval: een afschrift van het bewijs van toevoeging.
3.1.4.3.Uitspraken uit de vorige instanties zijn niet voorzien van aantekeningen of markeringen van anderen dan van die instantie.
3.1.4.4.In de procesinleiding wordt de verweerder, bij de aanduiding van de toepasselijke termijn waarbinnen hij kan verschijnen (respectievelijk artikelen 30a, derde lid, onder c, 115 en 116 Rv), erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, behandelt op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur.
3.1.4.5.Na ontvangst van de procesinleiding plaatst de griffier een oproepingsbericht als bedoeld in artikel 111 lid 1 Rv in het webportaal en plaatst de griffier de zaak als nieuwe zaak op het overzicht van zaken dat op de eerstvolgende vrijdag als vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur wordt behandeld.

3.1.5 Niet verschijnen van een of meer verweerders

3.1.5.1.Indien een verweerder niet verschijnt op de dag waarop hij ten laatste kan verschijnen, wordt een datum bepaald voor conclusie op verstek. Deze datum ligt vier weken na de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen.
3.1.5.2.Het bericht dat zich voor de verweerder een advocaat bij de Hoge Raad stelt, is van belang voor de voorbereiding van de conclusie van de procureur-generaal omtrent verstekverlening, die wordt genomen op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement. Daarom dient dat bericht in het webportaal te worden geplaatst zo spoedig mogelijk nadat die advocaat bij de Hoge Raad ermee bekend is dat hij zich in de zaak zal stellen.
3.1.5.3.Indien de procureur-generaal concludeert tot het verlenen van verstek, beslist de enkelvoudige civiele kamer in beginsel dadelijk.
3.1.5.4.Een advocaat bij de Hoge Raad die een niet verschenen verweerder bijstaat, kan in het webportaal van de Hoge Raad het verloop van de procedure volgen.
3.1.5.5.Het bericht dat een advocaat bij de Hoge Raad het tegen een verweerder verleende verstek op de voet van artikel 418a in verbinding met artikel 142 Rv wenst te zuiveren, wordt in het webportaal geplaatst uiterlijk op een vrijdag vóór 10.00 uur. Die vrijdag dient te zijn gelegen ten minste vier weken voorafgaand aan de datum van de schriftelijke toelichting of het pleidooi indien (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld. Zuivering van het verstek kan wegens strijd met een goede procesorde worden geweigerd, bijvoorbeeld indien met die zuivering nodeloos is gewacht en door de zuivering van het verstek de gelijktijdigheid van het geven van een schriftelijke toelichting wordt verstoord.

3.1.6 Verweerschrift

3.1.6.1.De verweerder die verschijnt en het verschuldigde griffierecht heeft voldaan, kan dadelijk zijn verweerschrift indienen.
3.1.6.2.Wordt het verweerschrift niet dadelijk bij verschijning ingediend, dan wordt voor de indiening van het verweerschrift een termijn van vier weken verleend. Indiening geschiedt niet dan nadat de verweerder het verschuldigde griffierecht heeft voldaan.

3.1.7 Incidenteel beroep

3.1.7.1.Gelijktijdig met de indiening van het verweerschrift kan incidenteel beroep worden ingesteld.
3.1.7.2.De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor verweerschrift in het incidentele beroep.

3.1.8 Art. 80a RO

3.1.8.1.Indien aan de hand van de procesinleiding en de daarbij gevoegde berichten en documenten wordt geoordeeld dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, deelt de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, dit mede in beginsel op de derde vrijdag volgend op de vrijdag na de indiening van de procesinleiding.
3.1.8.2.In plaats van de in artikel 3.1.8.1 bedoelde mededeling kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, mededelen dat aan de hand van de dossiers uit de vorige instantie(s) zal worden onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO. De enkelvoudige civiele kamer verleent aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken om blijk te geven van zijn standpunt over de toepasselijkheid van artikel 80a RO.
3.1.8.3.Indien de procureur-generaal in een schriftelijke conclusie van zijn standpunt heeft blijk gegeven, kunnen partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv daarop schriftelijk commentaar geven binnen twee weken nadat die conclusie is genomen.
3.1.8.4.De uitspraak waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO wordt aangetekend op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken en geplaatst in het webportaal.
3.1.8.5.Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de Hoge Raad de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen. Iedere verschenen partij kan de enkelvoudige civiele kamer verzoeken een datum te bepalen voor schriftelijke toelichting of pleidooi, of een datum voor een deels schriftelijke en deels mondeling bij pleidooi te geven toelichting.

3.1.9 Schriftelijke toelichting

3.1.9.1.De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum.
3.1.9.2.De enkelvoudige civiele kamer kan aan beide partijen uitstel verlenen op grond van bijzondere omstandigheden, indien daarom door een partij of door beide partijen uiterlijk één week voor de vastgestelde datum gemotiveerd is verzocht.
3.1.9.3.De inhoud van een in het webportaal geplaatste schriftelijke toelichting is niet vóór 10.00 uur op de voor het geven van de schriftelijke toelichting bepaalde datum zichtbaar.
3.1.9.4.Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot gelijktijdige repliek en dupliek.
3.1.9.5.Voor repliek en dupliek wordt een termijn van twee weken gegeven. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.1.9.6.De inhoud van een in het webportaal geplaatste repliek of dupliek is niet vóór 10.00 uur op de voor repliek en dupliek bepaalde datum zichtbaar.

3.1.10 Pleidooi

3.1.10.1.Partijen kunnen een (gemotiveerd) verzoek indienen tot het houden van een pleidooi. De pleidooien worden – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de datum voor de schriftelijke toelichting zou zijn vastgesteld.
3.1.10.2.Voor de pleidooien wordt voor iedere partij ten hoogste dertig minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat meer tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk twee weken voor de datum van het pleidooi onder opgave van reden toestemming te worden gevraagd aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden.
3.1.10.3.Partijen krijgen tijdens de pleidooizitting de gelegenheid voor mondelinge repliek en dupliek.

3.1.11 Incidentele vorderingen

3.1.11.1.Incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie.
3.1.11.2.De enkelvoudige civiele kamer geeft aan de verweerder in het incident desgevraagd een termijn van twee of vier weken voor verweerschrift in het incident.
3.1.11.3.Behoudens bijzondere omstandigheden en onverminderd het bepaalde in artikel 415 lid 2 Rv wordt geen gelegenheid geboden voor schriftelijke toelichtingen.
3.1.11.4.Na afronding van de procedure in het incident wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal.
3.1.11.5.Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.
3.1.11.6.Partijen kunnen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen.

3.1.12 Spoedbehandeling

3.1.12.1.Indien partijen dat wensen, kan de procedure in cassatie worden verkort door de schriftelijke toelichtingen op te nemen in de procesinleiding en het verweerschrift. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.1.12.2.Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij(en), beslissen dat de termijn voor de schriftelijke toelichting (of de datum van het pleidooi) op grond van daartoe aangevoerde bijzondere omstandigheden die tot spoed nopen, zal worden verkort. De tweede volzin van artikel 3.1.12.1 is dan van toepassing.

3.1.13 Na sluiting partijdebat

3.1.13.1.Na de afronding van de schriftelijke procedure of na de pleidooien kunnen partijen arrest vragen. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een datum waarop wordt bepaald wanneer de conclusie van de procureur-generaal zal worden genomen.
3.1.13.2.Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de enkelvoudige civiele kamer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst zij de zaak naar de meervoudige kamer.
3.1.13.3.Partijen kunnen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen.

3.1.14 Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Benelux Gerechtshof

3.1.14.1.Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding.
3.1.14.2.Hervatting van het geding kan ambtshalve of op verzoek van een partij geschieden. Na hervatting van het geding wordt op verzoek van de meest gerede partij een datum voor een nadere schriftelijke toelichting of andere proceshandeling bepaald. Indien partijen afzien van nadere proceshandelingen, kunnen zij terstond arrest vragen.

3.1.15 Verval van instantie

3.1.15.1.Indien verval van instantie wordt gevorderd, verwijst de enkelvoudige civiele kamer de zaak naar een datum waarop de procureur-generaal zal concluderen. Nadat die conclusie is genomen, wordt de zaak naar de meervoudige kamer verwezen ter beslissing op de vordering.

3.1.16 Schikkingsonderhandelingen

3.1.16.1.Op eenparig verzoek van partijen kan de enkelvoudige civiele kamer de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen aanhouden voor een periode van ten hoogste twaalf weken.
3.1.16.2.Een herhaald verzoek van partijen tot aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen kan worden aangemerkt als een aanwijzing dat geen van partijen ervan blijk geeft het geding te willen voortzetten, in welk geval de zaak ambtshalve wordt doorgehaald.

3.1.17 Doorhaling en hervatting

3.1.17.1.Op verzoek van een partij wordt de zaak doorgehaald, mits de andere partij (in geval van een procedure op tegenspraak) daarmee instemt.
3.1.17.2.De Hoge Raad kan zaken die zijn geschorst of waarin geen van partijen ervan blijk geeft het geding te willen voortzetten, ambtshalve doorhalen.
3.1.17.3.De behandeling van een doorgehaalde zaak kan worden hervat.
3.1.17.4.De partij die hervatting verzoekt, vermeldt het zaaknummer, de stand waarin de procedure zich bevond voorafgaand aan de doorhaling alsmede welk vervolg volgens haar aan de procedure dient te worden gegeven.
3.1.17.5.De Hoge Raad bepaalt, gehoord de wederpartij(en), op welke wijze de procedure wordt hervat en, zo nodig, welke proceshandeling moet worden verricht.

3.1.18 Overgangsregeling fourneren

3.1.18.1.Wordt arrest gevraagd in een zaak waarin in een of meer van de vorige instanties digitaal procederen niet verplicht was, dan leggen partijen de procesdossiers over waarin zich de schriftelijke stukken van die instantie(s) bevinden.

3.1.19 Procedure in Caribische zaken

3.1.19.1.Het bepaalde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op het geding in cassatie in dagvaardingszaken waarin in de voorafgaande instantie(s) is geprocedeerd in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Caribische zaken), ongeacht of de zaak in cassatie aanhangig wordt gemaakt volgens de regels voor de vorderingsprocedure of de verzoekprocedure, tenzij de aard van de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing verzet.
3.1.19.2.Nadat de procesinleiding en (als de procedure in cassatie op tegenspraak wordt gevoerd) het verweerschrift zijn ingediend, wordt de zaak geplaatst op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht en wordt een datum bepaald voor het geven van een schriftelijke toelichting.
3.1.19.3.Indien partijen arrest vragen, leggen zij de procesdossiers over waarin zich de stukken van de eerdere instanties bevinden.

Paragraaf 3.2 Verzoekzaken

(Gereserveerd)

Paragraaf 3.3 Prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad

3.3.1 Reikwijdte

3.3.3.1.Deze paragraaf heeft betrekking op de behandeling van zaken waarin op de voet van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld.

3.3.2 Onvoorziene gevallen

3.3.3.2.In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. De enkelvoudige civiele kamer kan desverzocht in voorkomende gevallen termijnen die in deze paragraaf worden genoemd, verlengen.

3.3.3 Aanvang procedure bij de Hoge Raad

3.3.3.1.De griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, zendt een afschrift van die beslissing toe aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad bevestigt de ontvangst.
3.3.3.2.De griffier tekent de ontvangst van een verzoek om beantwoording van een prejudiciële vraag aan in een register dat ter griffie wordt bijgehouden. De griffier doet van de ontvangst mededeling op de website van de Hoge Raad.
3.3.3.3.De griffier stelt de beslissing in handen van de eerste meervoudige kamer van de Hoge Raad en van de procureur-generaal.

3.3.4 Voortvarende behandeling

3.3.4.1.De Hoge Raad ziet erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd

3.3.5 Overlegging stukken

3.3.5.1.De Hoge Raad kan de griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, in elke stand van het geding om overlegging verzoeken van afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken.
3.3.5.2.De Hoge Raad kan eveneens aan partijen verzoeken bepaalde, op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke hij nodig acht.

3.3.6 Aanstonds afzien van beantwoording

3.3.6.1.Indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, aanstonds van oordeel is dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, beslist de Hoge Raad van beantwoording af te zien.
3.3.6.2.De griffier zendt een afschrift van die beslissing aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, alsmede aan partijen.

3.3.7 Schriftelijke opmerkingen van partijen

3.3.7.1.In andere gevallen wordt aan partijen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van de beslissing als bedoeld in artikel 3.3.3.1, een termijn verleend van zes weken voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. Partijen worden hiervan door de griffier bij gewone brief in kennis gesteld. De kennisgeving vermeldt dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dienen te worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
3.3.7.2.Aan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting, tenzij anders wordt bepaald op de voet van artikel 3.3.10.1.

3.3.8 Schriftelijke opmerkingen van anderen

3.3.8.1.De Hoge Raad kan, hetzij aanstonds, hetzij nadat partijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook anderen dan partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Daartoe wordt een termijn verleend van vier weken, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Deze personen of instellingen worden daartoe door de griffier uitgenodigd bij gewone brief, met afschrift aan partijen.
3.3.8.2.Indien de Hoge Raad een openbare oproep tot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, beveelt hij de publicatie op de website van de Hoge Raad van de prejudiciële vraag en van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden ingediend. De Hoge Raad kan publicatie in een andere vorm bevelen.
3.3.8.3.De in artikel 3.3.8.1 bedoelde brief van de griffier en de in artikel 3.3.8.2 vermelde publicatie vermelden dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dienen te worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
3.3.8.4.Aan anderen dan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.

3.3.9 Indiening en verwerking van schriftelijke opmerkingen

3.3.9.1.Schriftelijke opmerkingen gaan vergezeld van zoveel afschriften als er partijen zijn.
3.3.9.2.Schriftelijke opmerkingen die niet door een advocaat bij de Hoge Raad zijn ondertekend of niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend, worden ter zijde gelegd.
3.3.9.3.Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over schriftelijke opmerkingen die door de andere partijen en schriftelijke opmerkingen die op de voet van artikel 3.3.8 door anderen dan partijen zijn ingediend. Daartoe wordt een termijn verleend van twee weken.
3.3.9.4.De griffier zendt onverwijld afschriften van de ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
3.3.9.5.In de brief waarmee de griffier afschriften van ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen toezendt, vermeldt hij de datum waarop de termijn van twee weken voor uitlating als bedoeld in artikel 3.3.9.3 een aanvang neemt.

3.3.10 Schriftelijke of mondelinge toelichting

3.3.10.1.Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van partijen, de advocaten van partijen gelegenheid geven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.

3.3.11 Schriftelijke toelichting

3.3.11.1.Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de schriftelijke toelichtingen uiterlijk ter griffie moeten zijn ingediend. De griffier stelt partijen ten minste vier weken van te voren bij gewone brief in kennis van de termijn waarbinnen de schriftelijke toelichting moet worden ingediend.
3.3.11.2.Schriftelijke toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
3.3.11.3.Schriftelijke toelichtingen gaan vergezeld van zoveel afschriften als er andere partijen zijn.
3.3.11.4.De griffier zendt onverwijld afschriften van de schriftelijke toelichtingen aan de andere partijen die een advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.

3.3.12 Mondelinge toelichting

3.3.12.1.Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een mondelinge toelichting, bepaalt de Hoge Raad plaats, dag en uur van de zitting. De griffier stelt partijen en anderen die schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, ten minste vier weken van te voren bij gewone brief in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
3.3.12.2.Mondelinge toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
3.3.12.3.De Hoge Raad kan degenen die op de voet van artikel 3.3.8 door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord.

3.3.13 Conclusie van de procureur-generaal

3.3.13.1.Na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, dan wel na de mondelinge of schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de procureur-generaal zijn conclusie zal nemen.
3.3.13.2.De griffier zendt onverwijld een afschrift van de conclusie aan partijen en aan ieder die op de voet van artikel 3.3.8 door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen heeft ingediend en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
3.3.13.3.Partijen kunnen op de voet van artikel 44 Rv schriftelijk op de conclusie reageren binnen twee weken nadat een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de andere partijen die een advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld en aan en aan de procureur-generaal.

3.3.14 Herformuleren prejudiciële vraag

3.3.14.1.De Hoge Raad kan de prejudiciële vraag herformuleren. Indien de Hoge Raad daartoe het voornemen heeft en de herformulering niet van ondergeschikte betekenis is, doet de Hoge Raad van zijn voornemen blijken in een tussenuitspraak. Partijen worden in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van twee weken schriftelijke opmerkingen te maken. Partijen worden daartoe door de griffier uitgenodigd bij gewone brief, die vergezeld gaat van een afschrift van de uitspraak en waarin de datum vermeld is waarop de termijn van twee weken een aanvang neemt.
3.3.14.2.De griffier zendt voorts een afschrift van de uitspraak aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.

3.3.15 Uitspraak

3.3.15.1.Nadat de procureur-generaal zijn conclusie heeft genomen dan wel nadat op de voet van artikel 3.3.14.1 schriftelijke opmerkingen zijn gemaakt, doet de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak ter openbare terechtzitting.
3.3.15.2.De griffier zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld en aan partijen, alsmede aan ieder die op de voet van artikel 3.3.8 door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen heeft ingediend.

3.3.16 Verzending van uitnodigingen, kennisgevingen en afschriften

3.3.16.1.De verzending door de griffier van uitnodigingen, kennisgevingen of afschriften van stukken als in dit reglement bedoeld, geschiedt aan de gestelde advocaten bij de Hoge Raad, dan wel, indien deze ontbreken, aan de advocaten die voor partijen optreden in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, dan wel, indien deze ontbreken, aan partijen zelf.

Paragraaf 3.4 Dagvaardingszaken

3.4.1 Reikwijdte

3.4.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in alle dagvaardingszaken waarop het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is zoals geldend tot de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 289, met inbegrip van Caribische zaken. De tekst van de navolgende bepalingen is gepubliceerd in Staatscourant 2012 nr. 10676, en in werking getreden op 1 juli 2012; de navolgende nummering is aangepast aan die van het procesreglement van de Hoge Raad zoals gepubliceerd bij de inwerkingtreding van digitaal procederen in vorderingszaken.

3.4.2 Onvoorziene gevallen

3.4.2.1.In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

3.4.3 Roldatum en rolbeslissingen

3.4.3.1.De rolzitting van de enkelvoudige civiele kamer wordt gehouden op de in hoofdstuk 1 vermelde vrijdagen des morgens om tien uur.
3.4.3.2.Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan indien hem zulks geraden voorkomt zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.
3.4.3.3.Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal en aan de wederpartij(en).

3.4.4 Aanbrengen van de zaak

3.4.4.1.Het aanbrengen van een nieuwe zaak ter inschrijving op de rol dient te geschieden vóór 15.00 uur op de dag voorafgaande aan de roldatum door middel van een brief waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht.
a.de originele cassatiedagvaarding;
b.de uitspraken waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
c.het originele anticipatie-exploot;
d.een afschrift van het bewijs van toevoeging

3.4.5 Niet verschijnen van een of meer partijen

3.4.5.1.Indien geen van partijen verschijnt, wordt de zaak verwezen naar de rol van ten minste twee en ten hoogste vijf weken later. Indien dan geen proceshandeling wordt verricht, wordt de zaak ambtshalve doorgehaald op de rol (artikel 247 Rv).
3.4.5.2.Indien eiser de zaak niet tijdig heeft doen inschrijven op de rol, kan de verweerder onder overlegging van het exploot van dagvaarding de zaak doen inschrijven en vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen (artikel 127 leden 1 en 2 Rv). De zaak wordt vervolgens twee weken aangehouden. Indien eiser na twee weken opnieuw niet verschijnt, wordt – na schriftelijke conclusie van de procureur-generaal – schriftelijk beslist op de vordering van verweerder.
3.4.5.3.Indien op de dienende dag de verweerder niet verschijnt en de eisende partij verstek vraagt, wordt de zaak drie weken aangehouden voor beraad conclusie op verstek. Indien de verweerder ook dan niet verschijnt, wordt een datum bepaald voor conclusie op verstek. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat aan alle te dier zake geldende voorschriften is voldaan, wordt op de daartoe bepaalde datum geconcludeerd tot het verlenen van verstek, waarop de rolraadsheer in beginsel dadelijk mondeling beslist. Indien de procureur-generaal zulks wenselijk oordeelt wordt schriftelijk geconcludeerd. In de gevallen die zich niet lenen voor een dadelijke mondelinge beslissing op het gevraagde verstek, waaronder begrepen de weigering van het verstek, beslist de rolraadsheer schriftelijk of verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer voor het wijzen van arrest.

3.4.6 Conclusie van antwoord

3.4.6.1.De verweerder die is verschenen, krijgt de gelegenheid tot het nemen van een conclusie van antwoord. Deze conclusie kan dadelijk worden genomen. Desgevraagd kan daartoe een termijn worden verleend van ten hoogste vier weken.

3.4.7 Incidenteel beroep

3.4.7.1.Gelijktijdig met het nemen van de conclusie van antwoord kan incidenteel beroep in cassatie worden ingesteld. De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor conclusie van antwoord in het incidentele beroep.

3.4.8 Art. 80a RO

3.4.8.1.Na de eerst dienende dag wordt, aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. In beginsel op de derde rolzitting volgend op de eerst dienende dag doet de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, mededeling van de uitkomst van dit onderzoek.
3.4.8.2.Tenzij op de voet van het bepaalde in 3.4.8.1 al is beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, wordt nadat de conclusie van antwoord is genomen of, in voorkomend geval, nadat de conclusie van antwoord in het incidentele cassatieberoep is genomen, de in artikel 3.4.7.1 bedoelde reactie is gegeven dan wel nadat verstek is verleend, aan de hand van de alsdan daartoe over te leggen procesdossiers onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO.
3.4.8.3.Na de ontvangst van de procesdossiers worden deze aan de procureur-generaal ter hand gesteld en verleent de rolraadsheer hem een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
3.4.8.4.Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.
3.4.8.5.In het geval dat de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
3.4.8.6.De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.
3.4.8.7.Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de Hoge Raad de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen. Iedere verschenen partij kan de rolraadsheer verzoeken een datum te bepalen voor schriftelijke toelichting of pleidooi. De rolraadsheer bepaalt terstond, respectievelijk na één week, deze datum.

3.4.9 Schriftelijke toelichting

3.4.9.1.De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum. De rolraadsheer kan aan beide partijen uitstel verlenen op grond van bijzondere omstandigheden, indien daarom door een partij of door beide partijen uiterlijk één week voor de vastgestelde datum schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.

3.4.10 Repliek en dupliek

3.4.10.1.Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot gelijktijdige re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.

3.4.11 Pleidooi

3.4.11.1.Partijen kunnen een (gemotiveerd) verzoek indienen tot het houden van een pleidooi. De pleidooien worden – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn vastgesteld. De zitting voor het houden van pleidooien vindt – tenzij anders wordt bepaald – plaats op een vrijdag om 10.45 uur. Voor de pleidooien wordt voor iedere partij ten hoogste 45 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van het pleidooi toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens deze zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.

3.4.12 Fourneren, arrest vragen en conclusie van de procureur-generaal

3.4.12.1.Na de afronding van de schriftelijke procedure of na de pleidooien kunnen partijen arrest vragen onder overlegging van de procesdossiers waarin zich ook de stukken van de eerdere instanties dienen te bevinden. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop ter rolle uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer. Partijen kunnen op de voet van artikel 44 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer.

3.4.13 Incident

3.4.13.1.Incidentele vorderingen worden ingesteld bij een conclusie ter rolle. De rolraadsheer geeft aan de verweerder in het incident desgevraagd vier weken aanhouding voor antwoord in het incident. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverlet het bepaalde in artikel 415 lid 2 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden. Na overlegging door partijen van de procesdossiers wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.

3.4.14 Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Benelux Gerechtshof

3.4.14.1.Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding kan na de beantwoording van de prejudiciële vragen worden hervat op verzoek van één van de betrokken partijen. Op de daartoe bepaalde roldatum wordt desgevraagd een datum voor een nadere schriftelijke toelichting bepaald. Indien partijen afzien van deze toelichting, wordt de zaak verwezen naar een roldatum voor het overleggen van de procesdossiers en vragen van arrest.

3.4.15 Procedure in Caribische zaken

3.4.15.1.Nadat het rekest en (als de procedure in cassatie op tegenspraak wordt gevoerd) het verweerschrift zijn ingediend, wordt voor de eerste keer de zaak geplaatst op de rol voor het geven van een toelichting. Het bepaalde in de artikelen 3.4.8 tot en met 3.4.12 en 3.4.14 is van overeenkomstige toepassing.

3.4.16 Schikkingsonderhandelingen en doorhaling op de rol

3.4.16.1.Op eenparig verzoek van partijen kan de rolraadsheer de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden.
3.4.16.2.Op verzoek van een partij kan de zaak worden doorgehaald op de rol mits de andere partij (in geval van een procedure op tegenspraak) daarmee instemt.
3.4.16.3.Indien verval van instantie wordt gevorderd, verwijst de rolraadsheer de zaak naar een roldatum waarop de procureur-generaal de conclusie zal nemen, waarna de zaak naar de meervoudige kamer wordt verwezen ter beslissing op de vordering.

3.4.17 Spoedbehandeling

3.4.17.1.Indien beide partijen het daarover eens zijn, kan de procedure in cassatie verkort worden door de schriftelijke toelichting op te nemen in de cassatiedagvaarding onderscheidenlijk de conclusie van antwoord. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.4.17.2.Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, beslissen dat de termijn voor de schriftelijke toelichting (of de datum van het pleidooi) op grond van daartoe aangevoerde bijzondere omstandigheden die tot spoed nopen, zal worden verkort. De tweede volzin van 3.4.17.1 is dan van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.5 Verzoekschriftzaken

3.5.1 Reikwijdte

3.5.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in verzoekschriftprocedures bij de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden zoals geldend tot de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 289, onverminderd het bepaalde over Caribische zaken in artikel 3.4.1 van dit reglement. De tekst van de navolgende bepalingen is gepubliceerd in Staatscourant 2012, nr. 10677, en in werking getreden op 1 juli 2012; de navolgende nummering is aangepast aan die van het procesreglement van de Hoge Raad zoals gepubliceerd bij de inwerkingtreding van digitaal procederen in vorderingszaken.
3.5.1.2.Voor zaken die op grond van de Faillissementswet met een verzoekschrift worden ingeleid geldt dit reglement voor zover dit verenigbaar is met de Faillissementswet.
3.5.1.3.In deze paragraaf wordt onder de verweerder mede verstaan: de belanghebbende die in cassatie is verschenen.

3.5.2 Onvoorziene gevallen

3.5.2.1.Na indiening van een verzoekschrift geeft de Hoge Raad zo nodig aanwijzingen omtrent de te volgen procedure. In alle gevallen waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de eerste enkelvoudige kamer (hierna: de rolraadsheer), gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

3.5.3 Indiening van een verzoekschrift in cassatie

3.5.3.1.Verzoekschriften worden onverminderd het bepaalde in artikel 426b Rv in negenvoud ingediend ter griffie van de Hoge Raad met een brief waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht. Het verzoekschrift wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en behelst de omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt.
3.5.3.2.Bij indiening van het verzoekschrift dienen te worden overgelegd:
a.de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
b.een vertaling van het verzoekschrift voorzover vereist op grond van de EG Betekeningsverordening II (BetVo II);
c.recente adresgegevens van elk van de verweerders
d.een afschrift van het bewijs van toevoeging

3.5.4 Indiening van een aanvullend verzoekschrift in cassatie

3.5.4.1.lngeval de tekst van de bestreden uitspraak dan wel het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie niet tijdig beschikbaar is, kan de advocaat van de verzoeker, indien hij in het verzoekschrift hiertoe een voorbehoud heeft gemaakt en de inhoud van het alsnog beschikbaar gekomen document daartoe aanleiding geeft, met bekwame spoed (HR 23-12-05, LJN AU3720. NJ 2006/31) een aanvullend verzoekschrift indienen.

3.5.5 Oproeping verweerders

3.5.5.1.De griffier zendt onverwijld afschriften van het (aanvullend) verzoekschrift toe aan een ieder die in de vorige instantie is verschenen buiten de verzoeker.
3.5.5.2.Binnen drie weken na verzending van het verzoekschrift kunnen verweerders, door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad, een (aanvullend) verweerschrift indienen. De rolraadsheer kan in bepaalde gevallen een andere termijn vaststellen.
3.5.5.3.Indien de verweerder verzoekt om verlenging van de in artikel 3.5.5.2 bedoelde termijn beslist de rolraadsheer, gehoord de wederpartij, of verlenging zal worden verleend. Overeenkomstig de daaromtrent tussen de Hoge Raad en de Haagse balie gemaakte afspraak, kan op verzoek van de verweerder de termijn van artikel 426b lid 3 Rv worden verlengd met zes weken, indien blijkt dat de verzoeker daartegen geen bezwaar heeft. Een verzoeker die tegen verlenging wél bezwaar heeft, zal moeten aangeven dat een daadwerkelijk spoedeisend belang zich tegen verlenging van de termijn verzet. De beslissing op het verzoek om verlenging wordt schriftelijk aan partijen medegedeeld.
3.5.5.4.Indiening van een verweerschrift buiten de in artikel 3.5.5.2 gestelde termijn wordt niet geaccepteerd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.

3.5.6 Indiening verweerschrift

3.5.6.1.Het verweerschrift, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wordt in negenvoud ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
3.5.6.2.De griffier zendt onverwijld een afschrift van het (aanvullend) verweerschrift aan de advocaat van de verzoeker (of in geval van meer verzoekers aan de advoca(a)t(en) van iedere verzoeker).

3.5.7 Incidenteel cassatieberoep

3.5.7.1.Bij verweerschrift kan een verweerder tevens incidenteel cassatieberoep instellen. Het verweerschrift behelst in dat geval tevens de middelen waarop het incidenteel cassatieberoep steunt.
3.5.7.2.De griffier zendt onverwijld het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep aan (iedere) verweerder in het incidenteel cassatieberoep.
3.5.7.3.Binnen drie weken na toezending van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep kan de verweerder in het incidenteel cassatieberoep een verweerschrift indienen.
3.5.7.4.Indien de verweerder in het incidenteel cassatieberoep verzoekt om verlenging van de in 3.5.7.3 bedoelde verweertermijn, beslist de rolraadsheer, gehoord de wederpartij, of verlenging zal worden verleend. De beslissing op het verzoek om verlenging wordt schriftelijk aan partijen medegedeeld.
3.5.7.5.Indiening van een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep buiten de in 3.5.7.3 gestelde (of krachtens 3.5.7.4 verlengde) termijn wordt niet geaccepteerd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.

3.5.8 Indiening van overige processtukken

3.5.8.1.Overige processtukken (bijvoorbeeld een proces-verbaal of een reactie op de conclusie van de procureur-generaal) worden ingediend ter griffie en (gelijktijdig en met vermelding hiervan aan de griffier van de Hoge Raad) door de indiener in afschrift toegezonden aan de andere in de procedure verschenen partijen.

3.5.9 Beroep op niet-ontvankelijkheid

3.5.9.1.Indien een der partijen in het verweerschrift concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het (incidenteel) beroep in cassatie anders dan op grond van artikel 80a RO, wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na verzending van het verweerschrift te reageren op die conclusie.
3.5.9.2.De reactie op het beroep tot niet-ontvankelijkheid dient door de indiener tevens per gelijke post gezonden te worden aan de advocaat van de wederpartij.

3.5.9a Beoordeling op de voet van artikel 80a RO

3.5.9a.1.Na het indienen van een verzoekschrift ter griffie wordt, in beginsel binnen drie weken na de ontvangst van het verzoekschrift en aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Indien de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, tot het oordeel komt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, bepaalt hij dat wordt voortgeprocedeerd.
3.5.9a.2.De rolraadsheer doet aan de griffier mededeling van de uitkomst van het in het vorige lid bedoelde onderzoek. De griffier brengt die uitkomst, met inbegrip van de beslissing tot voortprocederen indien zulks door de rolraadsheer is bepaald, bij gewone brief ter kennis van de verzoeker en van de andere partijen die in de procedure bij de Hoge Raad of in de vorige instantie zijn verschenen.
3.5.9a.3.Nadat de termijn van drie weken voor het indienen van een verweerschrift als bedoeld in artikel 426b lid 3 Rv is verstreken, wordt de zaak naar de rol verwezen. Tenzij de rolraadsheer reeds heeft beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, verleent hij ter rolzitting aan de in cassatie verschenen partijen een termijn van twee weken voor het overleggen van hun procesdossiers ten behoeve van een nader onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 80a.
3.5.9a.4.Na de ontvangst van ten minste één procesdossier verleent de rolraadsheer op de rolzitting aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal het standpunt inneemt dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
3.5.9a.5.Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt. In dit laatste geval bepaalt de rolraadsheer dat wordt voortgeprocedeerd.
3.5.9a.6.In een geval waarin de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
3.5.9a.7.De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken. Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de rolraadsheer de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen.
3.5.9a.8.De rolraadsheer kan indien een belanghebbende binnen de in artikel 426b lid 3 Rv bedoelde termijn voor het indienen van een verweerschrift zulks heeft verzocht, bepalen dat deze belanghebbende de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO kan afwachten. In dat geval stelt de rolraadsheer de termijn voor het indienen van een verweerschrift nader vast op drie weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing dat 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.

3.5.11 Verwijzing van de zaak naar de rolzitting van de eerste enkelvoudige kamer

3.5.11.1.Na indiening van het (aanvullend) verweerschrift of het verstrijken van de termijn voor indiening daarvan zal de zaak worden verwezen naar de rolzitting van de eerste enkelvoudige kamer voor het fourneren van stukken, tenzij partijen dat voordien reeds hebben gedaan. Partijen dienen hun procesdossiers – vergezeld van een behoorlijke inventarislijst – waarin zich ook bevinden de stukken van de eerdere instanties (alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in vorige instantie) over te leggen.
3.5.11.2.In gevallen als bedoeld in artikel 428 lid 1 Rv kan de Hoge Raad een schriftelijke dan wel mondelinge toelichting bevelen.
3.5.11.3.De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde roldatum.
3.5.11.4.Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.5.11.5.De mondelinge toelichting vindt plaats voor de meervoudige kamer en zal – tenzij anders wordt bepaald – plaatsvinden op een vrijdag te 10.45 uur. De datum voor de mondelinge toelichting wordt – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn bepaald. Voor de mondelinge toelichting wordt voor iedere partij ten hoogste 45 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van de mondelinge toelichting toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan de mondelinge toelichting wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens de zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.

3.5.12 Conclusie van de procureur-generaal

3.5.12.1.Na het in 3.5.11.1 bedoelde moment, respectievelijk nadat partijen de zaak schriftelijk of mondeling hebben doen toelichten, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop ter rolle uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
3.5.12.2.Partijen kunnen op de voet van artikel 44 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen dan wel een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer. Met (gelijktijdig) afschrift aan de verschenen wederpartij(en) en de procureur-generaal.

3.5.13 Incidentele verzoeken

3.5.13.1.Incidentele verzoeken kunnen worden gedaan bij (afzonderlijk) verzoek- of verweerschrift.
3.5.13.2.Na indiening van het incidentele verzoek wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in het incident in te dienen.
3.5.13.3.Behoudens bijzondere omstandigheden en onverminderd het bepaalde in artikel 428 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden Na overlegging door partijen van de procesdossiers of het in 3.5.11.1 bedoelde moment, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.

3.5.14 Procedure na prejudiciële beslissing

3.5.14.Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding zal na de beantwoording van de prejudiciële vragen op verzoek van één van de betrokken partijen of ambtshalve worden hervat. Desgevraagd wordt een datum bepaald voor een (nadere) schriftelijke toelichting, Indien de verschenen partijen afzien van deze toelichting, wordt de zaak verwezen naar een roldatum voor het fourneren van stukken.

3.5.15 Schikkingsonderhandelingen en intrekking van de procedure

3.5.15.1.Op eenparig schriftelijk verzoek van partijen kan de rolraadsheer de behandeling van de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden. Tenzij een der partijen voor de afloop van de gestelde termijn verzoekt de behandeling voort te zetten, wordt de behandeling van de zaak gestaakt. Na staking van de behandeling kan ieder van de partijen hervatting van de behandeling van de zaak verzoeken.
3.5.15.2.Zolang de Hoge Raad zijn beschikking nog niet heeft gegeven kan de verzoeker tot cassatie zijn verzoek intrekken zonder daartoe de toestemming van de verweerder nodig te hebben. De intrekking heeft enkel tot gevolg dat de door de verzoeker tot cassatie aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht.
3.5.15.3.Op eenparig schriftelijk verzoek van partijen wordt de behandeling van een zaak beëindigd.

3.5.16 Spoedbehandeling

3.5.16.1.Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, de procedure in cassatie verkorten. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.5.16.2.Procedures die naar hun aard een spoedbehandeling behoeven (bijvoorbeeld Bopz-, Kinderontvoerings-, Bewinds-, Faillissements-, WSNP- en Ondertoezicht stellingszaken) worden versneld behandeld. In afwijking van het hiervoor bepaalde zullen termijnen in beginsel niet worden verlengd en dienen partijen hun procesdossiers tegelijk met dan wel binnen veertien dagen na de indiening van het verzoekschrift onderscheidenlijk verweerschrift over te leggen. In afwijking van art, 3.5.11.1 en 3.5.12.1 kan de zaak vervolgens terstond in handen van de procureur-generaal worden gesteld voor conclusie.

HOOFDSTUK 4 STRAFZAKEN

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

4.1.1 Reikwijdte

4.1.1.1Dit hoofdstuk heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in alle zaken waarvan de tweede meervoudige kamer (strafkamer) van de Hoge Raad kennisneemt.

4.1.2 Onvoorziene gevallen

4.1.2.1In alle gevallen waarop dit hoofdstuk betrekking heeft en waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partij(en) in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

Paragraaf 4.2 Gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken

4.2.1De tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad bepaalt, in overeenstemming met de procureur-generaal, in welke zaken de mogelijkheid digitaal te procederen is opengesteld en welke procesdeelnemers in die zaken de mogelijkheid hebben gebruik te maken van het webportaal van de Hoge Raad.
4.2.2Dit besluit wordt bekend gemaakt op de website van de Hoge Raad.
4.2.3Tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer in een bepaald geval anders heeft beslist, kan een door een advocaat te verrichten proceshandeling in het webportaal feitelijk ook worden verricht door een gemachtigde van de advocaat, mits deze gemachtigde beschikt over een inlogmiddel als bedoeld in 2.1.1.f.
4.2.4Tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer in een bepaald geval anders heeft beslist, wordt een proceshandeling in het webportaal, die feitelijk is verricht door een gemachtigde van een advocaat, geacht te zijn verricht door de advocaat die de machtiging heeft verleend.
4.2.5Indien een procesdeelnemer in een zaak gebruik maakt van de mogelijkheid digitaal te procederen, verricht hij in die zaak vanaf dat moment alle proceshandelingen, waaronder het indienen van stukken en verzoeken, uitsluitend in het webportaal. Van digitaal procederen in deze zin is sprake indien en vanaf het moment dat een (gemachtigde van een) procesdeelnemer in de desbetreffende zaak een bericht en/of document heeft geplaatst in het webportaal.
4.2.6Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, vindt toezending van (afschriften van) processtukken, alsmede kennisgeving van beslissingen, aan deze procesdeelnemer uitsluitend plaats door het plaatsen van (afschriften van) deze documenten in het webportaal. Als de datum en het tijdstip waarop een (afschrift van) een processtuk of de kennisgeving van een beslissing aan een procesdeelnemer is verzonden, gelden de datum en het tijdstip waarop een (afschrift) van dat document wordt geplaatst in het webportaal.
4.2.7Verricht een (gemachtigde van een) procesdeelnemer die digitaal procedeert een proceshandeling niet in het webportaal maar op de voor procesdeelnemers die niet digitaal procederen voorgeschreven wijze, dan wordt de procesdeelnemer de gelegenheid geboden tot herstel van zijn verzuim van de in artikel 4.2.5 genoemde verplichting binnen een daartoe door de rolraadsheer gestelde termijn.
4.2.8Van het bepaalde in artikel 4.2.5 tot en met 4.2.7 kan in bijzondere gevallen op verzoek van de betrokken procesdeelnemer of ambtshalve door de rolraadsheer worden afgeweken.
4.2.9Waar ingevolge een wettelijke regeling of ingevolge dit reglement een proceshandeling schriftelijk dient te geschieden, wordt ingeval een procesdeelnemer digitaal procedeert aan deze verplichting voldaan door plaatsing van een bericht en/of document in het webportaal, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift of door de rolraadsheer anders is bepaald.
4.2.10Een bericht of document dat door een procesdeelnemer in het webportaal is geplaatst, geldt als ondertekend door deze procesdeelnemer. Is deze procesdeelnemer een gemachtigde die niet de hoedanigheid van advocaat heeft, dan dient het bericht of document te zijn voorzien van de handtekening van een advocaat, indien en voor zover bij of krachtens de wet of ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad of dit reglement ondertekening door een advocaat is vereist.
4.2.11Als tijdstip waarop een bericht of document door de Hoge Raad is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht of document het webportaal heeft bereikt. Dit tijdstip wordt vermeld in de in artikel 2.3.7 genoemde ontvangstbevestiging.
4.2.12Wordt een proceshandeling verricht na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn en is de procesdeelnemer van oordeel dat deze termijnoverschrijding het verontschuldigbare gevolg is van een technische verstoring, dan dient hij dit ten tijde van de verrichting van de proceshandeling uitdrukkelijk kenbaar te maken.

Paragraaf 4.3 Verloop van de procedure

4.3.1 Roldatum en rolbeslissingen

4.3.1.1De rolzitting van de enkelvoudige strafkamer wordt gehouden op de in paragraaf 1.2 bedoelde dagen.
4.3.1.2Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan, indien dat hem geraden voorkomt, zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.
4.3.1.3Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren via het webportaal dan wel schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij – indien zij niet digitaal procedeert – tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal.

4.3.2 Aanbrengen van de zaak en doorhaling op de rol

4.3.2.1Alle zaken waarin beroep in cassatie is ingesteld, worden nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, op de rol ingeschreven.
4.3.2.2Na intrekking van het cassatieberoep wordt de zaak doorgehaald op de rol. Het cassatieberoep kan worden ingetrokken totdat de zaak op de terechtzitting van de strafkamer als bedoeld in artikel 438, eerste lid, Sv in behandeling is genomen. Indien de procureur-generaal niet op die zitting op de voet van artikel 439, eerste lid, Sv zijn conclusie heeft genomen kan het cassatieberoep – in afwijking van de tweede volzin – worden ingetrokken totdat de procureur-generaal op een latere zitting zijn conclusie heeft genomen.

4.3.3 Indienen van cassatiemiddelen

4.3.3.1Middelen van cassatie worden voorgesteld bij schriftuur.
4.3.3.2De schriftuur bevat de gegevens van de zaak waarop zij betrekking heeft, te weten de instantie door welke, de datum waarop en het zaaknummer waaronder, alsmede de naam van degene in wiens zaak de bestreden beslissing is gegeven.
4.3.3.3Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van de schriftuur door plaatsing in het webportaal. Wordt niet digitaal geprocedeerd, dan geschiedt de indiening van de schriftuur hetzij door inlevering bij de centrale balie, hetzij door verzending per post of koeriersdienst, hetzij door verzending via de fax (mits gevolgd door inlevering of verzending van het originele exemplaar). Een schriftuur die langs elektronische weg maar niet in het webportaal (bijvoorbeeld: per e-mail) is ingediend, wordt niet in behandeling genomen.
4.3.3.4De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.
4.3.3.5De schriftuur dient te zijn ondertekend door degene die haar indient. Bij verzuim hiervan wordt de indiener de gelegenheid geboden tot herstel van het verzuim binnen een daartoe te stellen termijn. Artikel 4.2.10 is van overeenkomstige toepassing.
4.3.3.6Een in het webportaal geplaatste schriftuur geldt als tijdig ingediend indien deze op de laatst mogelijke dag van de voor indiening in de wet bepaalde termijn, maar voor 24.00 uur, het webportaal heeft bereikt. In andere gevallen geldt dat een schriftuur die is ingekomen op de laatst mogelijke dag maar na sluiting van de centrale balie om 16.30 uur, wordt geacht te laat te zijn ingediend, met dien verstande dat een per fax verzonden schriftuur die ter griffie van de Hoge Raad is begonnen binnen te komen vóór 24.00 uur op de laatste dag van de geldende termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingediend.

4.3.4 Benadeelde partij

4.3.4.1Aan de benadeelde partij wordt een afschrift verzonden van de schriftuur van de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, indien deze betrekking heeft op de vordering van de benadeelde partij en zij wordt door de griffier gewezen op haar bevoegdheid binnen dertig dagen na de verzending van dat afschrift door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift in te dienen. Aan de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt een afschrift van de schriftuur van de benadeelde partij verzonden.

4.3.5 Slachtoffer

4.3.5.1Van elk ingesteld en ingetrokken beroep in cassatie wordt binnen veertien dagen nadat dit beroep is ingesteld onderscheidenlijk ingetrokken, kennisgegeven aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht.
4.3.5.2Aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht wordt mededeling gedaan van de dag, het tijdstip en de plaats waar het in 4.3.9 bedoelde pleidooi wordt gehouden, alsmede van de zitting waar de uitspraak wordt gedaan.

4.3.6 Toezending en inzage stukken

4.3.6.1In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.8 wordt ten behoeve van de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die digitaal procedeert, onder wie begrepen de advocaat van de benadeelde partij, een afschrift in het webportaal geplaatst van de kernstukken – dat zijn de rechterlijke beslissingen en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s) – alsmede van andere afzonderlijk gevraagde processtukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.
4.3.6.2Aan de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die niet digitaal procedeert, waaronder begrepen de advocaat van de benadeelde partij, wordt op diens schriftelijk verzoek door de griffie per post een afschrift gezonden van de in artikel 4.3.6.1 genoemde stukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.
4.3.6.3Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in artikel 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk artikel 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. Indien hij digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing ervan in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, geschiedt dit verzoek schriftelijk.
4.3.6.4Als raadsman in de zin van de voorgaande bepalingen wordt uitsluitend aangemerkt de advocaat die van zijn optreden kennis heeft gegeven aan de griffier, dan wel aan de griffier heeft medegedeeld dat hij als aangewezen raadsman optreedt. Ingeval hij digitaal procedeert, geschiedt deze kennisgeving bij wijze zoals voorzien in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, dient het kennisgeven schriftelijk te geschieden bij aan de griffier van de Hoge Raad gericht separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van de naam van degene aan wie bijstand wordt verleend, het parketnummer en, voor zover bekend, het zaaknummer van de Hoge Raad – op welke zaak het optreden betrekking heeft.

4.3.7 Verlenging termijnen

4.3.7.1Een verzoek om verlenging van een door de wet of de rolraadsheer gestelde termijn moet worden gemotiveerd en dient binnen die termijn – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – in het webportaal te worden geplaatst. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.
4.3.7.2Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen, indien:
a.het niet is gemotiveerd,
b.het na het verstrijken van de termijn is ontvangen, of
c.de wet verlenging van de termijn niet toestaat.
4.3.7.3Een volgend verzoek om verlenging met betrekking tot dezelfde aangelegenheid wordt niet toegewezen.
4.3.7.4Op het verzoek om verlenging wordt binnen één week na de ontvangst beslist. De beslissing wordt aan de verzoeker en bij toewijzing zo nodig ook aan de andere partijen medegedeeld.
4.3.7.5Van het voorgaande kan in bijzondere gevallen door de rolraadsheer worden afgeweken.

4.3.8 Toepassing van artikel 80a RO

4.3.8.1Nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen wordt, in beginsel aan de hand van de cassatieschriftuur en de voor de beoordeling daarvan relevante gedingstukken, onderzocht of de betrokken zaak in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Daartoe worden de stukken aan de procureur-generaal ter hand gesteld. De procureur-generaal heeft tenminste twee weken de gelegenheid zich te beraden op het bepalen van een standpunt met betrekking tot de toepassing van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, neemt hij een op schrift gestelde conclusie.
4.3.8.2Ingeval de procureur-generaal afziet van het innemen van een standpunt beslist de meervoudige kamer over de toepassing van artikel 80a RO.
4.3.8.3De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.

4.3.9 Toelichting en tegenspraak

4.3.9.1Het beroep en/of de middelen kunnen schriftelijk of mondeling (hierna: het pleidooi) worden toegelicht.
4.3.9.2Een schriftelijke toelichting kan ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend overeenkomstig hetgeen in 4.3.3 is bepaald.
4.3.9.3Voor het houden van een pleidooi moet op de dag van indiening van de schriftuur een afzonderlijk (gemotiveerd) verzoek worden gedaan bij de rolraadsheer. Na zo een verzoek wijst de griffier de procesdeelnemer op zijn bevoegdheid tot het overleggen van een schriftelijke toelichting. Indien de betrokken procesdeelnemer digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.
4.3.9.4Behoudens ingeval de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een zitting vast voor het pleidooi.
4.3.9.5Voor het pleidooi wordt ten hoogste 20 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat meer tijd nodig is, dient daartoe uiterlijk een week voor de datum van het pleidooi toestemming te worden gevraagd aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden.
4.3.9.6Het bepaalde in artikel 4.3.9.1 tot en met artikel 4.3.9.5 geldt ook voor het geval de raadsman het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep wil tegenspreken.

4.3.10 Conclusie van de procureur-generaal

4.3.10.1Na de afronding van de schriftelijke procedure of na het pleidooi wordt de datum bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Aan de procesdeelnemer die digitaal procedeert, geschiedt de in artikel 439, derde lid, Sv bedoelde toezending van een afschrift van de conclusie door plaatsing ervan in het webportaal. Ingeval een afschrift van de conclusie (een schriftelijk standpunt daaronder begrepen) van de procureur-generaal per post is toegezonden, kan de in artikel 439, vijfde lid, Sv genoemde procesdeelnemer binnen twee weken na de dag waarop dat afschrift is verzonden, schriftelijk commentaar op de conclusie geven. Indien de procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het schriftelijk commentaar door plaatsing ervan in het webportaal. Procedeert de procesdeelnemer niet digitaal, dan geeft hij zijn schriftelijk commentaar op de conclusie bij brief gericht aan de voorzitter van de strafkamer.
4.3.10.2Artikel 4.3.3.4 is op de indiening van het schriftelijk commentaar op de conclusie van overeenkomstige toepassing.

4.3.11 Uitspraak

4.3.11.1Op de terechtzitting waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
4.3.11.2Indien de Hoge Raad niet op de vastgestelde datum uitspraak doet, wordt hiervan mededeling gedaan aan de betrokken partij(en) alsook aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht. Daarbij wordt tevens de nieuwe uitspraakdatum medegedeeld.
4.3.11.3Onverminderd het bepaalde in artikel 444 Sv wordt ten behoeve van de procesdeelnemer die in een zaak digitaal procedeert, een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad in het webportaal geplaatst.

4.3.12 Procedure na prejudiciële beslissing

4.3.12.1Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding wordt na de beantwoording van de prejudiciële vragen hervat. Op de daartoe bepaalde rolzitting wordt desgevraagd een datum bepaald voor het indienen van opmerkingen. Indien wordt afgezien van het indienen van schriftelijke opmerkingen, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een (nadere) conclusie door de procureur-generaal.

4.3.13 Procedure in herzieningszaken

4.3.13.1De Hoge Raad slaat geen acht op een aanvullende herzieningsaanvraag noch op een verzoek tot het verrichten van (nader) onderzoek of het inwinnen van advies als bedoeld in artikel 465, vijfde lid, Sv alvorens op de initiële herzieningsaanvraag is beslist, tenzij de Hoge Raad beslist dat de aanvullende aanvraag bij de behandeling van de zaak kan worden betrokken.
4.3.13.2De raadsman die de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 467, tweede lid, Sv mondeling wil toelichten (hierna: het pleidooi), kan daartoe op de dag van indiening van de herzieningsaanvraag een gemotiveerd verzoek doen bij de rolraadsheer. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven.
4.3.13.3Behoudens ingeval de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 465 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen dan wel de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een terechtzitting vast voor het pleidooi.
4.3.13.4Een verzoek tot de in artikel 473, vierde lid, Sv bedoelde opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, moet worden ingediend bij de Hoge Raad. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk. De griffier doet onverwijld mededeling aan de verzoeker van de beslissing van de Hoge Raad.

HOOFDSTUK 5 BELASTINGZAKEN EN BESTUURSRECHTELIJKE ZAKEN

Paragraaf 5.1 Beroep in cassatie bij de derde kamer van de Hoge Raad

5.1.1 Reikwijdte

5.1.1.1Paragraaf 5.1 van dit procesreglement heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van de procedure in zaken die worden behandeld door de derde kamer van de Hoge Raad (de belastingkamer), met uitzondering van de zaken waarop paragraaf 5.2 betrekking heeft.
5.1.1.2Met het begrip ‘zaken die worden behandeld door de derde kamer van de Hoge Raad’ worden in paragraaf 5.1 van dit procesreglement bedoeld:
a.zaken waarin beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een uitspraak in een belastingzaak van een rechtbank of gerechtshof of van een gerecht in het Caribische deel van het Koninkrijk,
b.zaken waarin beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
c.zaken waarin herziening wordt verzocht van een uitspraak van de derde kamer van de Hoge Raad.

5.1.2 Bepalingen van algemene aard

5.1.2.1In de procedure bij de Hoge Raad is het dossier van de zaak een digitaal dossier.
5.1.2.2Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen, kiest in een zaak voor digitaal procederen door een bericht of document in die zaak in het webportaal in te dienen.
5.1.2.3De griffier plaatst berichten en documenten die per post zijn ingediend door de partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, in het digitale dossier van de zaak.
5.1.2.4De griffier stelt de partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, per post in kennis van berichten en documenten die in het webportaal zijn ingediend door de wederpartij of daarin zijn geplaatst door de griffier.
5.1.2.5Het dossier van de zaak in de procedure(s) in de vorige instantie(s) wordt in het webportaal getoond indien de griffier van die instantie(s) dat dossier aan de Hoge Raad digitaal ter beschikking heeft gesteld.
5.1.2.6Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, kan een verzoek tot inzage bij de griffier doen.
5.1.2.7Gestelde termijnen, zoals termijnen voor het herstel van een verzuim of het verrichten van een proceshandeling, worden alleen onder bijzondere omstandigheden verlengd.
5.1.2.8Op te laat ingediende berichten en documenten slaat de Hoge Raad in beginsel geen acht.
5.1.2.9De griffier geeft van het bestaan van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht kennis aan degene aan wie gelegenheid wordt geboden het verzuim binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen. Daarbij wijst de griffier op het gevolg dat de Hoge Raad kan verbinden aan het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het verzuim.
5.1.2.10Op de procedure na indiening van een herzieningsverzoek (artikel 8:119 Awb) is, voor zover relevant en nodig, hetgeen in deze paragraaf is bepaald omtrent de behandeling van het beroep in cassatie van overeenkomstige toepassing.
5.1.2.11De Hoge Raad kan op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen van paragraaf 5.1.

5.1.3 Een nieuwe zaak beginnen

5.1.3.1Een partij die verplicht is digitaal te procederen, begint een nieuwe zaak door indiening van het beroepschrift in cassatie in het webportaal.
5.1.3.2Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen, kan een nieuwe zaak beginnen door het beroepschrift in cassatie in te dienen in het webportaal of per post.
5.1.3.3De indiener voegt bij het beroepschrift in cassatie de uitspraak waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld. Die uitspraak is niet voorzien van aantekeningen of markeringen van anderen dan van het gerecht waarvan de uitspraak afkomstig is.
5.1.3.4Verder voegt de indiener bij het beroepschrift in cassatie:
a.de volmacht, indien de nieuwe zaak wordt begonnen door een gemachtigde van een partij en die gemachtigde geen advocaat is;
b.het mandaatbesluit, indien de nieuwe zaak wordt begonnen met het mandaat van een bestuursorgaan;
c.het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, indien de nieuwe zaak wordt begonnen voor een in het handelsregister ingeschreven, niet door een advocaat vertegenwoordigd(e), bedrijf, rechtspersoon of andere niet-natuurlijke persoon;
e.de motivering van het beroep in cassatie.
5.1.3.5Naar aanleiding van de ontvangst van het beroepschrift in cassatie plaatst de griffier een bericht voor de indiener in het webportaal. De griffier plaatst ook een bericht voor de wederpartij in het webportaal en stuurt daarvan een kopie per post aan de wederpartij.
5.1.3.6De partij die griffierecht verschuldigd is, wordt binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift in cassatie uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te voldoen, tenzij het beroepschrift in cassatie is ingediend door een persoon die een rekening-courant aanhoudt waarin het verschuldigde griffierecht kan worden verrekend.
5.1.3.7De uitnodiging tot betaling van het griffierecht kan per post worden toegezonden, ook als de partij die griffierecht is verschuldigd digitaal procedeert.

5.1.4 Verweerschrift

5.1.4.1Indien eventuele verzuimen in het beroepschrift in cassatie binnen de gestelde termijn zijn hersteld en het eventueel verschuldigde griffierecht is voldaan, geeft de griffier aan de wederpartij gelegenheid binnen acht weken een verweerschrift in te dienen. Daarbij wordt de wederpartij gewezen op de mogelijkheid binnen dezelfde termijn incidenteel beroep in cassatie in te stellen.

5.1.5 Incidenteel beroep in cassatie

5.1.5.1De partij die incidenteel beroep in cassatie wil instellen, doet dat bij voorkeur in een afzonderlijk document dat gelijktijdig met het verweerschrift wordt ingediend.
5.1.5.2De indiener van het principale beroep in cassatie krijgt een termijn van vier weken voor indiening van een zienswijze in het incidentele beroep in cassatie.

5.1.6 Repliek en dupliek

5.1.6.1De partij die beroep of incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld, kan in de gelegenheid worden gesteld in een conclusie van repliek binnen een termijn van vier weken te reageren op het verweerschrift in cassatie, respectievelijk de zienswijze in het incidentele beroep in cassatie.
5.1.6.2Tot het indienen van een conclusie van repliek wordt geen gelegenheid geboden indien het geven van een toelichting door een advocaat is verzocht.
5.1.6.3De wederpartij krijgt een termijn van vier weken om in een conclusie van dupliek te reageren op een conclusie van repliek.

5.1.7 Schriftelijke en mondelinge toelichting

5.1.7.1Op verzoek van een partij kan gelegenheid worden geboden tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting door een advocaat.
5.1.7.2Een verzoek van een partij om een schriftelijke of mondelinge toelichting door een advocaat dat wordt gedaan naar aanleiding van het verweerschrift van de wederpartij, of naar aanleiding van de zienswijze van de wederpartij in het incidentele beroep in cassatie, moet zijn ingediend binnen twee weken nadat de griffier een afschrift van het verweerschrift of de zienswijze heeft verzonden.
5.1.7.3Bij inwilliging van het verzoek om schriftelijke toelichting stelt de griffier partijen in kennis van de termijn waarbinnen de schriftelijke toelichting moet worden ingediend. Deze termijn is in beginsel vier weken, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving.
5.1.7.4Nadat de schriftelijke toelichtingen van alle partijen zijn ingediend, stelt de griffier partijen in kennis van de door de wederpartij ingediende schriftelijke toelichting. Hierbij wordt gelegenheid gegeven binnen twee weken op de schriftelijke toelichting van de wederpartij te reageren. Van die reactie van een partij stelt de griffier de wederpartij in kennis.
5.1.7.5Indien slechts één van partijen een schriftelijke toelichting indient, stelt de griffier de wederpartij in kennis van die schriftelijke toelichting na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de schriftelijke toelichting. Hierbij wordt gelegenheid gegeven binnen twee weken op de schriftelijke toelichting van de wederpartij te reageren door een advocaat. Op deze mogelijkheid wijst de griffier al in het bericht dat een schriftelijke toelichting kan worden ingediend.
5.1.7.6Indien gelegenheid wordt geboden tot het geven van een mondelinge toelichting, wordt de datum in beginsel vastgesteld op een woensdag op een termijn van bij voorkeur vier weken. Na overleg met de betrokken advoca(a)t(en) over de dagbepaling stelt de griffier partijen in kennis van dag en uur van de zitting.
5.1.7.7Indien van de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting gebruik wordt gemaakt en daarbij een pleitnota wordt overgelegd, plaatst de griffier een afschrift van die pleitnota in het webportaal.
5.1.7.8Van de zitting waarop een mondelinge toelichting wordt gegeven, wordt proces-verbaal opgemaakt. Uiterlijk op de datum van toezending van het arrest wordt een afschrift van dat proces-verbaal in het webportaal geplaatst.

5.1.8 Versnelde behandeling

5.1.8.1Een verzoek om versnelde behandeling dient ook de motivering van het verzoek te bevatten.
5.1.8.2De griffier plaatst de beslissing van de Hoge Raad op het verzoek om versnelde behandeling in het webportaal.
5.1.8.3Bij inwilliging van het verzoek wordt aan de wederpartij onmiddellijk gelegenheid geboden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.

5.1.9 Conclusie van de procureur-generaal

5.1.9.1De griffier stelt partijen in kennis van het voornemen van de procureur-generaal om schriftelijk conclusie te nemen, waarbij tevens een termijn wordt meegedeeld waarbinnen de conclusie kan worden verwacht.
5.1.9.2De griffier plaatst de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal in het webportaal. Hierbij wordt aan partijen gelegenheid geboden binnen een termijn van twee weken een reactie op de conclusie in te dienen.

5.1.10 Uitspraak van de Hoge Raad

5.1.10.1Nadat het partijdebat is voltooid en, indien van toepassing, de procureur-generaal schriftelijk conclusie heeft genomen, worden partijen in kennis gesteld van de termijn waarbinnen de Hoge Raad verwacht uitspraak te doen.
5.1.10.2Indien de Hoge Raad niet binnen de aan partijen medegedeelde termijn uitspraak doet, worden partijen hiervan in kennis gesteld.
5.1.10.3Ten minste een week vóór de dag waarop in het openbaar uitspraak zal worden gedaan, wordt hiervan kennisgegeven aan partijen.
5.1.10.4Op de dag waarop uitspraak wordt gedaan, wordt een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad in het webportaal geplaatst.

5.1.11 Prejudiciële vragen van de Hoge Raad

5.1.11.1Indien de Hoge Raad het voornemen heeft prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, worden de voorgenomen vragen voorgelegd aan partijen, tenzij de procureur-generaal die vragen reeds in de conclusie heeft vermeld. Daarbij krijgen partijen gelegenheid binnen een termijn van twee weken een reactie in te dienen. Hierbij wordt eveneens gelegenheid geboden binnen die termijn kenbaar te maken of een partij belang hecht aan anonimisering van de gegevens die over de zaak worden verstrekt aan het publiek.
5.1.11.2Na ontvangst van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt aan partijen gelegenheid geboden binnen vier weken een reactie in te dienen.

5.1.12 Digitaal procederen in Caribische zaken

5.1.12.1In zaken waarin de uitspraak in vorige instantie is gedaan door een gerecht in het Caribische deel van het Koninkrijk, is een in het Caribische deel van het Koninkrijk wonende of gevestigde partij die verplicht is om bij de Hoge Raad digitaal te procederen, maar die niet de beschikking kan krijgen over een inlogmiddel als bedoeld in paragraaf 2.2 van dit procesreglement, niet verplicht digitaal te procederen. Wordt die partij in de procedure bij de Hoge Raad vertegenwoordigd door een in het Nederlandse deel van het Koninkrijk wonende of gevestigde persoon die verplicht is digitaal te procederen, dan geldt deze verplichting onverkort.

5.1.13 Slotbepalingen

5.1.13.1Op de termijnen in deze regeling is de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing.
5.1.13.2De bepalingen van paragraaf 5.1 van dit procesreglement zijn van toepassing in zaken waarin het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak die is bekendgemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van digitaal procederen bij de derde kamer van de Hoge Raad.

Paragraaf 5.2 Prejudiciële vragen aan de belastingkamer van de Hoge Raad

5.2.1 Reikwijdte

5.2.1.1Deze paragraaf heeft betrekking op de behandeling van zaken waarin op de voet van afdeling 2A van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld.

5.2.2 Afwijking

5.1.2.1De Hoge Raad kan op grond van bijzondere omstandigheden van deze regeling afwijken. De termijnen die in deze regeling worden genoemd worden alleen in bijzondere omstandigheden verlengd.

5.2.3 Aanvang procedure bij de Hoge Raad

5.2.3.1De griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, zendt een afschrift van die beslissing aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad bevestigt de ontvangst.
5.2.3.2De griffier doet van de ontvangst mededeling op de website van de Hoge Raad.
5.2.3.3De griffier stelt de beslissing in handen van de derde kamer van de Hoge Raad en van de procureur-generaal.
5.2.3.4In de procedure over de prejudiciële vraag bij de Hoge Raad kan de partij, gemachtigde of advocaat die toegang heeft tot het webportaal, hiervan gebruik maken. In die procedure geldt de verplichting tot digitaal procederen bij de Hoge Raad niet indien de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld in een procedure in feitelijke instantie waarin digitaal procederen niet verplicht is.

5.2.4 Voortvarende behandeling

5.2.4.1De Hoge Raad ziet erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd.

5.2.5 Overlegging stukken

5.2.5.1De Hoge Raad kan de griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, in elke stand van het geding om toezending verzoeken van afschriften van andere op de zaak betrekking hebbende stukken.
5.2.5.2De Hoge Raad kan eveneens aan partijen verzoeken bepaalde, op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke hij nodig acht.

5.2.6 Aanstonds afzien van beantwoording

5.2.6.1Indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, aanstonds van oordeel is dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, beslist de Hoge Raad van beantwoording af te zien.
5.2.6.2De griffier zendt een afschrift van die beslissing aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, alsmede aan partijen.

5.2.7 Proceshandelingen van partijen

5.2.7.1In andere gevallen dan bedoeld in artikel 5.2.6 wordt aan partijen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van de beslissing als bedoeld in artikel 5.2.3.1, een termijn verleend van zes weken voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. Partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld. De kennisgeving vermeldt op welke wijze de schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend.
5.2.7.2Aan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting, tenzij anders wordt bepaald op de voet van artikel 5.2.10.

5.2.8 Schriftelijke opmerkingen van derden

5.2.8.1De Hoge Raad kan, hetzij aanstonds, hetzij nadat partijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook anderen dan partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Daartoe wordt een termijn verleend van vier weken, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Deze personen of instellingen worden daartoe door de griffier uitgenodigd. De griffier stelt partijen op de hoogte van deze uitnodiging.
5.2.8.2Indien de Hoge Raad een algemene uitnodiging tot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, wordt op de website van de Hoge Raad de termijn vermeld waarbinnen opmerkingen kunnen worden ingediend. De Hoge Raad kan daarbij eisen stellen aan de personen en organisaties die opmerkingen kunnen indienen en aan de vorm, inhoud en omvang van die opmerkingen.
5.2.8.3De hiervoor in 5.2.8.1 bedoelde uitnodiging en de in 5.2.8.2 vermelde publicatie vermelden op welke wijze de schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend.

5.2.9 Andere voorschriften over schriftelijke opmerkingen

5.2.9.1Schriftelijke opmerkingen die niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend of die niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 5.2.8.2 en 5.2.8.3 gestelde eisen worden ter zijde gelegd.
5.2.9.2Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over schriftelijke opmerkingen die door de andere partij en schriftelijke opmerkingen die op de voet van artikel 5.2.8 door anderen dan partijen zijn ingediend. Daartoe wordt een termijn verleend.
5.2.9.3De griffier maakt de inhoud van de ingekomen schriftelijke opmerkingen onverwijld aan partijen bekend. Daarbij vermeldt hij de datum waarop de termijn voor een uitlating als bedoeld in lid 2 een aanvang neemt.

5.2.10 Schriftelijke of mondelinge toelichting

5.2.10.1Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van partijen, partijen gelegenheid geven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting. Aan anderen dan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.

5.2.11 Schriftelijke toelichting

5.2.11.1Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de schriftelijke toelichtingen uiterlijk moeten zijn ingediend. De griffier stelt partijen ten minste vier weken van te voren in kennis van de termijn waarbinnen de schriftelijke toelichting moet worden ingediend.
5.2.11.2De griffier maakt de inhoud van de schriftelijke toelichtingen onverwijld aan de andere partij bekend.

5.2.12 Mondelinge toelichting

5.2.12.1Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een mondelinge toelichting, bepaalt de Hoge Raad dag en uur van de zitting. De griffier stelt partijen hiervan ten minste vier weken van te voren in kennis.
5.2.12.2De Hoge Raad kan degenen die op de voet van artikel 5.2.8 schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen op de hiervoor in 5.2.12.1 bedoelde zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord.
5.2.12.3.In afwijking van hetgeen hiervoor in artikel 5.2.12.2, is bepaald kan de Hoge Raad degenen die op de voet van artikel 5.2.8 schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen om in een afzonderlijke zitting over hun opmerkingen te worden gehoord. Partijen worden uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn en worden in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen door anderen dan partijen tijdens deze zitting naar voren is gebracht. De Hoge Raad kan bepalen dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om deze reactie te geven buiten tegenwoordigheid van derden.

5.2.13 Conclusie van de procureur-generaal

5.2.13.1Partijen worden schriftelijk op de hoogte gesteld van het voornemen van de procureur-generaal om schriftelijk conclusie te nemen, waarbij tevens een termijn wordt meegedeeld waarbinnen de conclusie kan worden verwacht.
5.2.13.2De griffier maakt de inhoud van de conclusie aan partijen bekend, waarbij aan hen de gelegenheid wordt geboden binnen een termijn van twee weken een reactie op de conclusie aan de Hoge Raad te doen toekomen.

5.2.14 Herformuleren prejudiciële vraag

5.2.14.1De Hoge Raad kan de prejudiciële vraag herformuleren. Indien de Hoge Raad daartoe het voornemen heeft en de herformulering niet van ondergeschikte betekenis is, doet de Hoge Raad van zijn voornemen blijken in een tussenuitspraak.
5.2.14.2Partijen worden in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak binnen een termijn van twee weken schriftelijke opmerkingen te maken. Partijen worden daartoe door de griffier uitgenodigd onder vermelding van de datum waarop de termijn van twee weken een aanvang neemt. Bij die uitnodiging wordt een afschrift van de tussenuitspraak gevoegd.